Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
KM
onnoemelijk veel meer — voorshands onverklaarbaar; doch
met daai'voor rond uit te komen, handelt men meer in 't be-
lang der wetenschap, — omdat dit aanspoort tot onder-
zoek, — dan door voor dat alles verklaringen ten beste te
geven. M elke er eigenlijk als bij de haren worden bijgesleept.
Wanneer men den jeugdigsten toestand van planten wil
beschrijven, dient men kortelijk de bloemen ter sprake te
brengen. Gij hebt bij dat woord „bloemen" vermoedelijk
niets anders voor den geest dan die fraai gekleurde siersels
der gewassen, zoo als gij ze in tulpen, rozen, anjelieren,
enz. pleegt te bewonderen. Het zal u in een der volgende
hoofdstukken worden opgehelderd, dat in zulke in 't oog loo-
pende kleuren niet de hoofdreden is gelegen, waarom een
plantendeel als bloem te beschouwen is. Genoeg zij het thans
te vermelden, dat de belangrijkste deelen eener bloem bij
eene oppervlakkige beschouwing gewoonlijk minder opge-
merkt worden, omdat zij dikwijls door gekleurde omhulsels
als verborgen worden gehouden; deze deelen dragen den
naam van meeldraden en stampers. Op hunne beuit
bestaan deze weder uit meerdere deelen, waaronder er
zijn. die met elkander in verband kunnen geraken, na-
melijk zóó, dat zekere cellen, — stuifmeelcellen ge-
naamd, — welke aanvankelijk tot de meeldraden behooren,
niet anders regelmatig kunnen voortgroeijen, dan wanneer
zij, op de stampers gerakende, zich hierdoorheen kunnen
verlangen en ten slotte zekere daar binnen in gelegene
knopjes kunnen bereiken. Wanneer dit dan ook geschied is
en alles zich verder ongestoord blijft ontwikkelen, dan is
hiervan het gevolg, dat de bloem van lieverlede verdwijnt
en plaats maakt voor hetgeen men de vrucht noemt, tot
welker vorming inzonderheid het onderste gedeelte der stam-
pers bijdraagt, waarin zich genoemde knopjes bevinden.
Deze knopjes — zaadknopjes geheeten — rijpen daarbij
tot dat, wat men zaden noemt (*), en hierin eindelijk vindt
men een ligchaampje,hetwelk den naam van kiem draagt,welke
(•) In het daijcliiksch spraakgobinik noemt men dezen ook wel: pitten, kernen,
boonen, enz.