Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
komt. — Om liaar te bestuderen, bieden vooral de Fucus-
soorten (zijnde eene bijzondere groep van wieren) eene goede
gelegenheid aan, daar zich tusschen de cellen daarvan veel'
tusschencelstof bevindt; men treft haar ook in nog al ruime
hoeveelheid aan tusschen de teeltweefselcellen van onze
boomen, en eindelijk vult zij ook dikwerf in niet geringe
mate de tusschen cellen overblijvende ruimten aan.
Deze ruimten — tusschencelsruimten geheeten —
ontstaan in de eerste plaats doordien nevens elkander ge-
legene cellen elkander niet altijd op alle plekken harer
wanden kunnen aanraken, als gevolg van haren bijzonderen
vorm. Dat dit van bolronde cellen wel het meest geldt, zult
ge ligt begrijpen, wanneer ge u een aantal opeengehoopte
kogels voorstelt, waartusschen, ten gevolge hunner gedaante,
geene volkomene aaneensluiting mogelijk is, zoodat er dan
ook (driehoekige) ruimten tusschen openblijven. Behalve met
tusschencelstof, zijn de tusschenruimten ook wel met gasvor-
mige of met vloeibare stoffen gevuld, doch niet met zetmeel,
krystallen, enz. Wanneer de tusschencelsruimten juist boven
of naast elkander gelegen zijn, dan worden hierdoor kanalen
van meerdere of mindere wijdte in de weefsels geboren; de
wijdste vindt men in parenchym, de naauwste tusschen lang-
werpige hout- en bastcellen. Daar,
waar zij buitenwaarts door spleet-
openingen (z.b. bl. 91) zijn begrensd,
bestaat er gemeenschap tusschen de
in haar voorhandene dampen of gas-
sen met de omringende dampkrings-
lucht.
Door verschillende oorzaken ver-
krijgen de tusschencelsruimten dik-
wijls de gedaante van groote holten,
of wel van gangen of kanalen. Zoo
O O
worden er namelijk soms door de
cellen gommen, harsen, oliën, melk-
115. Tussclieiicelsroiiiiteii.
Hfi. Celweefsel, tnssclienschctton vormende in de stengels v;in gewonn riet
(Pliragmiles communis). Door de (laarnevens geteekende, alleenstannde cel (c) ivordt
de vorming van dit weefsel begrüpeljjk en tevens het ontstaan der openingen (tus-
schencelsruimten), ter plaatse waar de celwanden, door hunne inbuigingen, elkander
niet kunnen aanraken Men vcrffolijke vnor andere vooibeelden fls- 72—Tfi.