Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
dien naam, en daar zich hier de vaatbundels niet tot één
hout- of bastligchaam vereenigen, is hier ook veel meer merg
voorhanden dan in de tweezaadlobbigen. Zoodra hier name-
lijk meerdere bestanddeelen van vaatbundels tusschen de eerst
gevormde zijn ontwikkeld en deze zich nu onderling gaan
vereenigen, worden parenchymcellen, welke uit de cellen van
den verdikkingsring zijn ontstaan en tusschen de vaatbundels
gelegen zijn, te zamen gedrukt. Tusschen de vaatbundels
blijven daardoor platen of strooken van parenchym over, die in
hunne rigting al de andere bestanddeelen van het hout over-
kruisen, bij eene dwarse doorsnede zich als stralen tusschen
de houtmassa voordoen en zich van het merg door het hout
en den bast heen uitstrekken. Wanneer de eerste hout-
kring is ontstaan, wordt hierdoor het geheel van binnen ge-
legene eigenlijke merg afgesloten en wordt dan nog de ge-
meenschap tusschen dit merg en het buitenste gedeelte der
stammen alleen door die stralen onderhouden, welke men
lange of groote mergstralen pleegt te noemen. Daar-
nevens komen ook nog later gevormde zoogenaamde korte
of kleine mergstralen voor, zijnde gelijksoortige paren-
chymstrooken, die uit het teeltweefsel der vaatbundels zeiven
door eene zijdelingsche splitsing hiervan ontstaan en zich
aan de binnenzijde niet tot het eigenlijke merg uitstrekken (*).
Wat de werkman spiegeldraden noemt, zijn mergstralen,
welke zich door hunne lichtere kleur en sterkeren glans
onderscheiden. [De „kwasten" in het hout zijn de doorsne-
den van takken, welke zich daar ter plaatse bevonden.] De
cellen der mergstralen bevatten dikwijls zetmeel, verhouten
eenigzins bij vele planten en zijn vaak gestippeld.
Behalve de houtvezels en vaten, vindt men ook soms nog
in verschillende houtsoorten eene meerdere of mindere hoe-
veelheid van hetgeen men houtparenchym noemt. De
cellen daarvan zijn minder lang dan de houtvezels; zij be-
zitten niet, zoo als deze, spitse, maar afgeplatte uiteinden ;
hare wanden zijn ook minder sterk verdikt en minder met
houtstof doortrokken ; eindelijk bevatten zij zeer dikwijls en
langen tijd zetmeel en veel sap, doch zelden lucht, terwijl bij
(*) Dit Icomt alies nader bij de behandeling der stammen ter sprake, waarheen
wij ook ter inzage der toelichtende figuren verwijzen.