Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
@
1 ^ (2) P- \ k^ w
fm V ml] IV^ li \\ 1
j Y© L' [©r'c^: ■ p
JU) (è
© : ' V /I

i .jiJ ^
101. Hoütvezßls uit
Dat hout, hetwelk wij als dennen-, gi-eenen-, vuren-
hout, en», dagelijks zien gebruiken en bewerken, vormt
namelijk zulk eene uitzondering. Het is afkomstig van ver-
schillende gewassen uit de groep der
naaldboomen (z. b. bl. 77 en 78 in
de noot), en deze naaldboomen heb-
ben een hout, waarin ten eerste
geene vaten voorkomen en ten
tweede alleen houtvezels en merg-
straalcellen gevonden worden. Wat
„mergstraalcellen" zijn, zullen wij
terstond vernemen; wat echter die
houtvezels betreft (waarnevens ook
nog met hars gevulde cellen en gangen voorkomen), deze
zijn zeer lang en onderscheiden zich door die eigenaardige
teekening in den wand, Avelke boven bl. 77 beschreven is.
Eene andere groep van planten, cycadéen genaamd, bezit
een nagenoeg gelijksoortig hout. In de vezels daarvan komen
echter geene kring-, maar spleetvormige hofstippels en stip-
pelhoitcn voor. Ook loopen hier de vaatbundels van onderen
naar boven in golvende rigting, terwijl zij bij de coniferen
loodregt verloopen.
Bij de loranthacdën eindelijk bestaat het hout voorname-
lijk uit houtparenchym en bastcellen met enkele vaatcellen.
AVanneer men zich in nevenstaande figuur al, wat daar wit
gelaten is, voorstelt als gevuld met paren-
chym, dan heeft men daardoor het beeld,
hetwelk nagenoeg elk jong stengeltje of
takje bij dwarse doorsnijding vertoont. Dat
wat nu binnen den vaathundelkring gelegen
is, wordt merg genoemd. In jeugdigen toe-
stand vindt men er dikwijls bladgroen, later
echter zetmeel in. In de stammen der een- Ä Dwarse draede van
zaadlobbigen bestempelt men de geheele een'jeogdigen stengel,
parenchym-massa, waardoor de vaatbundels heenloopen, met
101. Ovciiangschc doorsnede uit het hout van den gewonen sparreboom (^Abies
excélsa).
102. De in een kring staande wigvormige ligchamen zijn dwars doorgcsnodcne
vaatbundels.