Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
de vaatbundels heen); beiderlei teeltweefsels vallen hier dus
zamen en vormen één geheel ; bovendien bestaat er gemeen-
schap tusschen het teeltweefsel der naast elkander geplaatste
vaatbundels. Zoodoende wordt nu door de gestadige vernieu-
wing van den teeltweefselkring de onafgebrokene toename in
omvang of verdikking der stammen mogelijk, terwijl steeds
aan de eene of binnenzijde van den teeltweefselkring vaten
en houtcellen afgezet en daardoor de zoogenaamde houtkrïn-
O O
gen gevormd worden en aan de andere of buitenzijde de
bastcellen, te zamen den bast vormende.
VIP. Hout. Wanneer men met dien naam zou willen
bestempelen iedere celgroep, waarin de celstof zich heeft
vereenigd met of vervangen is door houtstof (z. b. bl. 37),
dan komt er veel meer hout voor, dan men gewoonlijk
veronderstelt ; immers — met uitzondering van zwammen,
wieren en dergelijke planten van zeer eenvoudigen en ge-
lijkvormigen bouw, — bezit bijna elke plant hier of daar,
en m^t name in haren stengel, eenig verhout parenchym (*).
Ecperkt men echter het begrip van ,.hout" tot hetgeen de
plantkundigen als zoodanig plegen te beschouwen, dan komt
er geen eigenlijk hout voor bij de niet-zaadlobbigen, even-
min als bij de éënzaadlobbigen. Dit zal u later, wanneer
wij over de zamenstelling der stengels en stammen handelen,
duidelijker blijken (f). Genoeg zij het, thans te vermelden,
dat men onder „hout" dat gedeelte der vaatbundels in de
stammen van tweezaadlobbigen verstaat, hetwelk zich aan
de binnenzijde van den verdikkingsring bevindt. Alles waar-
uit dit gedeelte bestaat, is meer of minder met houtstof
doortrokken en dat het uit houtcellen en vaten bestaat, is
reeds meermalen vermeld. Dit moge intusschen over 't alge-
meen zoo zijn ; daarop komt echter ook eene uitzondering
voor, en daarmede is anderzijds nog niet volledig de za-
menstelling van het hout beschreven.
(»J Men vergete niet, dat er verschil bestaat tusschen »verhout" of »houtachtig"
parenchym (z. b. bl. 70 en 71) en »houteellen" of »houtvezels" (z. b. bl. 76). Van
deze beiden is ook het zoogenaamde »houtparenchym" (waarover op bl. 88 meer)
te ondeiseheiden.
(t) Van »stengels" spreekt men zoo lang de gewassen kruidachtig, laag bij den
grond bliiven ; van »stammen" wanneer de planten een' heester- of struikvorm be-
zitten, d. i. ofschoon houtachtig, toch digt bij den grond takken vormen, of als
boomen optreden, d. i. houtachtig en hoog boven den grond vertakt z^n.