Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
zij meer op zicli zeil .^tuaiide on wordt blcclits, dourdiun hunne
verlakkingen nu en dan lis-of netvormig Ie zamentreden, een
zamenhang tusschen de verschillende vaatbundels gevormd. Bij
do tweczaadlobbigen worden daarentegen telkens ter plaatse,
waar zich het jonge teeltweefsel van de vaatbundels bevindt,
nieuwe bestanddeelen van vaatbundels gevormd. Daarljij
worden alsdan achtereenvolgens steeds naar de eene (bin-
nen- ot' hout-)zijde nieuwe lagen van vaten en houtcellen
tegen de reeds vroeger en naast de gelijktijdig gevormde
afgezet, en naar de andere (^buiten- of bastzijde) nieuwe
Ingen van bastcellen. De oorzaak daarvan is gelegen in de
plaatsing van den verdikkiiigsring in zulke stammen, waar-
over bij de beschouwing van het maaksel der stammen nog
het een en ander zal worden medegedeeld. Ook zullen wij
daar nog eenige bijzonderheden aanstippen omtrent het hout
cn den bast, wier vorming liet gevolg is van de naauwe
aaneensluiting der zamenstellende deelen van de vaatbundels
bij de tweczaadlobbigen. Eenige algemeene opmerkingen
dienaangaande laten wij echter reeds hier volgen.
Bij de eenzaadlobbigen bevindt zich gewoonlijk die koker
van teeltweefsel, welke men „ve r dikk in g s r i n g" noemt
(z. b. bl. 72), in den omtrek cn derhalve rondom het meer bin-
nenwaarts gelegene gedeelte der stammen, Avaardoor do
vaatbundels heenloopen. Doordien nu het teeltweefsel dier
vaatbundels in den regel spoedig voor verderen groei onge-
schikt cn daardoor het dikker worden der vaatbundels belet
wordt, is de toename van den omvang dier stammen alleen
mogelijk, zoolang de verdikkingsring werkzaam blijft. Doch
ook hieraan komt in deze gewassen, door de verhouting
zijner cellen, spoedig een einde, zoodat de dikte hunner
stammen slechts betrekkelijk zeer beperkt blijl't, in verge-
lijking met die, welke de stammen der tweczaadlobbigen
bereiken kunnen. Bij de laatsten blijft het teeltweefsel der
vaatbundels steeds voor vernieuwde •ontwikkeling vatbaar;
de verdikkingsring (welke in onze boomen in de lente dik-
wijls als een groenachtige en sai)rijke kring rondom het
jonge hout zigtbaar is,) bevindt zich hier namelijk in den
regel op dezelfde plaats, waar het teeltweefsel der vaatbun-
dels gelegen is (de verdikkingsring loopt hier midden door