Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
lobbigen komen echter vaatbundels voor, met vaten daarin-
Jn enkele hiertoe behoorende planten zijn de vaten slechts in
hunnen aanleg, derhalve als zooge-
naamde vaatcellen (z. b. bl. 72) aan-
wezig ; in alle anderen als volkomene
vaten. Onder dezen komen nimmer
vaten met hofstippels en stippelhol-
ten voor ; met name in de groep der
varens vindt men trapvaten, overi-
gens meestal ring- en ook spiraal-
vaten. Het eigenaardige van al deze
vaatbundels is echter daarin gele-
gen, dat er geene hout- en bastcellen
in voorkomen en dat het teeltweef-
sel zich altijd rondom de vaten (of
vaatcellen) bevindt, terwijl het teelt-
P ^ r f j> weefsel zelf dikwijls door verhoute
86. Ds vorige vaatbüDdel overlacss parenchymcellen omringd wordt,
doorsesaedeo. ' , t
AVaar dit laatste het geval
is, wordt daardoor ook de
groei van den vaatbundel in
de dikte belet, om welke re-
den men zulke vaatbundels
geslotene noemt.
5.) Onder de ëénzaadlob-
bigen zijn slechts enkele
planten bekend, waarin dc
vaatbundel alleen uit teelt-
weefseLbestaat. Gewoonlijk
toch is deze uit teeltweefsel,
vaten en bast- of houtcellen
zamengesteld; van de beide
de meest voorkomende.
pO
Vaatbccdel eener éêozaadlobbige plant,
dwars doorgesDeden.
laatsten zijn hier de bastcellen
In den wand dezer vaten kunnen
9C>. Een gedeelte van den vorigen vaatbundel, in overlangsche doorsnede. In het
midien liggen de trapvaten (c), aan weêrszijden daarvnn het tecltweefsel (t) en
daarnaast de verhoute parenchymcellen (p).
97. Uit eenen haverstengel (Avéna «a^ira). Het lichtere plekje is het teeltweefsel
(0; hieromheen liggen dikwandige bastcellen (6) en vaten (v), terwijl zich rondom
den geheelen vaatbundel parenchymcellen Cp) bevinden.