Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
'8
bijna geene holte meer in overblijft. De verdikkingslagen
vertoonen nagenoeg geene andere teekeningen dan stippels
en elkander in verschillende rigtingen overkruisende spiralen.
Wanneer bastvezels gestippeld zijn, vertoonen zij echter nim-
mer daar, waar de stippels van nevens elkander gelegene
vezels aan elkander grenzen, eene stippelruinite. In jeugdigen
toestand worden zij door zwavelzuur en jodium-oplossing blaauw,
in verdere tijdperken paars of rozenrood gekleurd. De niet ver-
houte bastcellen bevatten celsap, waarin korrelige gekleurde
of ongekleurde stoffen drijven. In den regel worden er geene
nieuwe cellen in gevoi*md.
In enkele gewassen, tot bepaalde groepen be-
hoorende, vindt men dikAvandige, verhoute bast-
vezels, welke zich door hunnen vertakten vorm
onderscheiden; voornamelijk kan men ze in het
zoogenaamde bastgedeelte van de naaldboomen (*)
vinden. Zij vormen eenen overgang tusschen de
gewone bastcellen en de zoogenaamde melksap
bevattende bastcellen.
Wat men onder „melk-
sap" verstaat, is reeds
(boven bl. 43) opgegeven.
Wij voegen hier nog bij,
dat men daaraan vroeger
ook den naam van „le-
venssap'' toekende, daar
men in de meening ver-
keerde, dat dit sap zich,
op de wijze van het
bloed bij de dieren, aan-
^ Vertakte ^loudend in de planten 91. Vertakte kstcel, met melksap
bastvezel, rondbewoog, en daaraan geveld.
(•) Naaldboomen, kegeldragenden of conlféren (van het latijnsche Coniferae) zijn
benamingen voor eene zelfde groep van planten, waartoe de pijnboomen, spanen,
dennen, lorken, enz behooren. Deze hebben namelu'k meestal naaldvormige bladeren,
en vruchten, welke kegelvormig bij elkander ziin geplaatst.
90. Uit het bastgedeelte of ook uit het merg van den mangroveboom {Rhizophórn
Mangle).
91. Overlangsche doorsnede uit het bastgedeelte van ÏCuphórbia Mgona; het zijn
voornamelijk zetmeel-Iigchaampjes, welke hieiin als staafjes van allerlei ^orm voor-
komen.