Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
D Ê K O F. 77
Zij zonk op haar leger onmagtig ter nei*r,
Verwezen, verwilderd van smarte;
Haar deden de leden, orh arme! zoo zeer.
Zoo Aveek en zoo krank Avas haar harte.
Geen slaap look hare oogen, hoe mat en hoe loom^
A^an waken en weenen al zwakker;
£n viel zij dan soms in een' aakligen droom ,
Dan sloeg haar de klokslag Aveèr Avakker.
Keeds vroeg in den morgen, klonk luid langs haar hut
De horen des herders alweder:
it Voor mij" riep zij uit, » is geen ochtend meer nut!"
£n Avierp in haar kussen zich neder.
Voorheen had zij vurig, getroost in haar lot,
Den hemel des ochtends ^geprezen;
Nu morde zij bitter en luid tegen God ,
Den vader van weèuAven en Aveezen,
En luister! het viel op haar ne'r als een steen.
En liet zoo ontzettend zich hooren!
Het rilt en het dreunt haar door merg en door been *
Het brult uit den stal haar in de ooren!
» O God !" riep zij gillend , » ik mor niet, o neen!
» 'k Zal zwijgen , hoe streng gij moogt spreken."
Zij dacht dat de hel met haar spoken verscheen,
'Om schriklijk den hemel te Avreken.
Maar spijt haar gekrijt en haar' rouw en haar klagt #
Haar radeloos Avringen en gillen ,
Verhief zich het loeijen en brullen met kracht
En liet zich bezAveren noch stillen.
» Barmhartige God , hou zoo streng geen gerlgt,
» Maar wil Aveèr den boozen bedwingen!"
Zoo kreet zij , en sloot in haar kussen zich digt,
Dat hooren en zien haar vergingen.
Daar sloeg haar zoo hevig, al snakkend naar lucht,
Het bevende hart als een hamer,
En luider verhief zich het loeijend gerucht,
Als Avaar 't voor haar bed, in de kamer*