Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
«9
DE VISSCHER.
Onlangs ging ik langs den oever
Van den Noorder pekelplas.
't Effen nat weerkaatste elk voorwerp
Als het gladde spiegelglas,
'k Zag de pinken nader zeilen,
't Anker werpen in het zand,
En de visch, bij volle korven,
Henentorschen naar het strand.
Toen de vangst was uitgedragen ,
Pligt en taak was afgedaan.
Sprak een vissoher, 't voorhoofd vagend,
Dus zijn' braven makker aan:
V Thans naar huis toe , blij te moede i
» Togt en taak is weèr volbragt:
V Thans naar wijf en kind ! en met hen
» Plegtig God den Heer gedacht 1
V Man! wij hebben rijke dankstof:
V Storm en onwei^r heeft gewoed;
V En ons kieltje waar verloren,
» Had Gods hand het niet behoed.
» Mijne hand, ik wil 't wel weten ,
V BeetUe toen aan 't slingrend stuur ;
» Nooit nog zat ik in mijn leven ,
» Makker! voor zoo'heet een vuur.
» 't Spookte er danig: vlaag op vlagen 1
V Schok op schok 1 — nu hoog in zee ,
» Dan weèr — bons! — van boven neder
» Met de holle stortzee meê.
* 'k Dacht toen, jongen 1 *t waar al rasjes
w Met den visscherman gedaan,
y En dan zag ik al de mijnen
« Daar, aan 't strand , verlaten staan,
» Daar zoo kermen om den dooden ,
» Voor hun voeten aangespoeld.,.,
» o Ik heb , als man en vader,
» Nooit zoo fel een pijn gevoeld.
9 Maar ontfermend zag de hemel
» Op mijn vurig bidden neèr:
» 't We^r werd stil, het zwerk werd helder ;
» 't Schuimend sop bedaarde we^r.