Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
het turfschip van BREDA.
Dreun op dan , hef dan aan, o luit,
Op ongedwongen maat,
Zoo als het sprekend hart zich uit.
Zoo als het hart verstaat.
Een ander wroete in de oudheid rond
Kn schaam' zich eigen haard ,
En zing' van Agamemnons vond
En Trojes zwanger paard :
Verstom', wie Grieksche fabeïs zoekt
En voorliegt in zijn lied,
Als hem de waarheid wondren boekt,
Op eigen boom geschied,
Wij heffen van die wonderdaan,
IVlet onverbasterd bloed —
Wij van 't Bredasche turfschip aan
En van prins Maurits moed.
Die moed viel Spanje zwaar en bang
En deed haar trotschheid zeer,
En smeet het wigt van vreemden dwanj
Van onze schouders neèr.
De heervaart, die zoo vreeslijk scheen.
En rondom schond en schoor,
Kromp eindlijk zich verdund in een
Eu droop lafhartig door.
De grond , met vreemd gespuis bezaaid ,
En als zijn buit verdeeld ,
Werd eindlijk nu weir schoon gemaaid
En droeg zijn eigen teelt.
Maar ginds, van uit het hecht Breda ,
Oranjes erflijk goed,
Sloeg Spanje Maurits stappen ga ,
Belust op Nassausch bloed.
Daar hield zij in haar nest zich schuil,
En zon op list en laag ,
En lekte zich den rooden muil,
Van heeten honger graag.
êi
4 ♦