Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
59 oeoo ij evaaks.
Daarom rust gij . stil en mak,
Steeds op torentrans en dak ,
Wordt van kerk noch hut verdreven,
Maar met feestlied ingehaald,
Wijl gij 't beeld van 't eeuwig leven
In uw jaarlijksche afreis maalt.
En als 't rimplig loover dort
En de herfstwind scherper wordt.
Laat dan vrij uw vrienden achter;
Ontrouw zijt gij niet, o neen !
Maar gij wijst oris , trouwe wachter!
Op onze êeuwge lente heen.
a. boxmaw.
HET TURFSCHIP VAN BREDA.
Mij lust weer op mijn eigen trant,
Die vreemden tooi ontbeert,
Te zingen van het vaderland ,
Zoo als mijn hart mij 't leert.
Dreun op dan , hef dan aan, mün lier,
Op ongedwongen maat,
Rondborstig, stout en zonder zwier ,
Zoo als mij elk verstaat.
Geen zang klinkt in mijn oor zoo schoon
Voor vaderlandschen moed ,
Noch roert mij door zijn schelsten toon.
Zoo als het volkslied doet.
En waarom op de loftrompet,
Als zij dien moed verheft.
Dan niet den ronden toon gezet,
Die mij zoo schokt en treft?
En waarom 't innig vuur verzaakt,
Dat mij ten zangstrijd voert,
Al» 't vaderlandsche braafheid raakt ,
Dio mij zoo treft en roert I