Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
48 d e o o ij e v a a rs.
Hoort gij dan het afscheidslied
Van 't bedrukte landvolk niet,
Dat bij de afreis uwer scharen
Opstijgt uit beklemde borst;
Blijft toch , vriendlijke ooijevaren!
^■hut ons nog: voor storm ea vorst.
Ach ! gij hoort naar beê noch zucht}
Klept nog eenmaal door de lacht,
Als wenscbt gij uw herberg vrede ;
Ylt dan suizend , gonzend heen,
Voert den zomer met u mede,
En laat 's winters ons alleen.
Zijt gij als de wankle vrind,
Dien men slechts bij zonschijn vindt,
Mist bij storm en onwe- rsvlagen;
Die in vreugde deelt en juicht,
Alaar geen aasje me.ê wil dragen
Als de smart ons neder buigt?
Neen, O trouwe wachter! neen!
Wankel is de mensch alleen!
't Dak , waar ge eens uw nest op bouwde^
Zoekt gij elke lente weèr,
*t Zij er smarte öf vreugde op dauwde,
Trouw gelijk de hond zijn' heer !
En toch snelt pj ijlings voort,
Als ons 't zonlicht matter gloort I
Hoe verlaat ge zoo uw vrinden?
Ach, uit fijner stof gewrocht.
Stremmen vorst en noordewinden
U den teedren ademto^t I
Daar slechts kwijnt uw leven niet,
Waar geen bladgroen dorrend ziet,
*t Kloempje niet verflenst der dalen;
Waar een eeuwge lentelucht
Gloeijend goud der zonnestralen
Aikoelt door des Zefirs zucht.