Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
232 r.of der aat.besskn.
Boompje , dat, vol rijpe trosjes,
Aandacht noch beWónd'ring vergt,
En uw* vrucht met lieve blosjes
Onder 't ned'rig blad verbergt!
De appelboom moog* zich verhelfen,
Rgze omhoog de ranke peer.
Gij, gij zoekt geen oog te treffen,
Gij verlangt geen ijdele eer;
Wie zijne armen uit mag breiden.
Fier op welig loof en blaan,
Altijd zedig en bescheiden.
Biedt ge uw rijpe vruchten aan.
Ja, we zingen —ja, we loven
't Ned'rig ooft, gezond en frisch ,
De ed'le vrucht van Neêrlands hoven,
't Sieraad van der burg'ren disch.
Maar ofschoon de boom niet bloeijen
En niet schitterend pralen moog' ,
't Vruchtje kan onze aandacht boeijen,
Is bekoorlijk voor het oog.
Zien we uw trosjes, rijk beladen,
't Blozen van uw zachte koon,
Half bedekt met groene bladen,
Bessen ! ja, dan zijt ge schoon.
Wordt ge door de zachte handjes
Van een teeder maagdelijn
Zoo gevlijd in nette mandjes,
Dat geen steeltjes zigtbaar zijn;
Kood en wit door één gemengeld ,
Prijkende als een schoon geheel,
Zusterlijk te zaam gestrengeld
Aan dezelfde moedersteel,...
Dan moet elk uw' schoonheid loven ,
Lieve vrucht, gezond en frisch I
Ja, dan zqt ge uit Neêrlands hoven
't Sierlijlat ooft op Neêrlands disch.
Lang verfrischt ge ons, ed'le vruchten 1
Rijk begunstigd door Natuur,
Hebt ge najaarskoü te duchten ,
Noch verschroeijend zoniervuur;
Als de herfst het woud ontbladert,
Schenkt ge aan ons uw' overvloed ;
Als de grijze winter nadert,
Zijt ge nog verkwikkend zoet;