Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
228
AAN
A V I T U S,
OVÉR HET GEBRUIK DER TIJTELEN
ï N ONZE
BRIEVEN.
at ik u "bidden mag, avitts ! laat mfl kijven;
Ik ben volstrekt van zins in kwaad humeur te blijven •
Ik ben verstoord, vermoeid, en in een maand drie vier
Zet ik, uit loutre spijt, geen pen meer op 't papier,
'k Heb waarlijk veel geduld , maar , 'k Wil het niet verbergen.
Zulk eene onreedlijkheid is niemand meer te vergen.
Ons Neerland is met regt om kunde en geest geacht,
Maar weïk Geleerde of hier den briefstijl heeft bedacht?
Wat koud en statig brein , van kunst en smaak verstoken,
Heeft dus, bij ieder woord zijn reednen afgebroken,
En door dat fraai herhaal van tijtels zonder end ,
Aan 't schriklijkst wangeluid ons buigzaam oor gewend?
Ik moest in 'tNederduitsch een reeks van brieven schrijven.
Waarvan ik met fatsoen niet één' kon schuldig blijven;
Ik wilde op miine wijs nog al bevallig zijn,
Maar ,k vind a-'een maat of stijl, hoe zeer ik mi'i verpijn';
Niets dan LW. IVefeerwaarde , en LW. Hoog-Welgeboren\
En XjW. Welédch Geatre^ige treft mij de ooren.
Ik schrap het tienmaal uit, ik zoek verstaanhre taal,
Maar 't blijft in ieder' brief voor't minst nog twintigmaal;
En waarlijk, hoe mijn oor het minder kan gehengen,
Hoe meer 't mijn pén behaagt H^c/ecrf/cn« voort te brengen,
'k Betuig, zoov'k eenen stap den schoorsteen nader k^vam.
Geen woord van 't geen ik schreef waar veilig voor de vlam.
Laat ons dit oogenblik 't gebruik ter zijde zetten,
En wil op 't volgende eens met al uwe aandacht lettert.
» Mijnheer' (ik schrijf aan u) Miinheer ! het was mij lief,
» Dat ik mü zag vereerd met IJW, Wel'èedlens brief.
»'k Had UW, Weledelen reeds voor een maand geschreven,
5ï Maar 'k avou met een berigt aan UIV. Weleedlen geven,
» Wie 't ampt verkrijcen zal van onzen vriend Licj^n ,
» 't Geen VIV, Wel eedlen wis een blijde maar j^al zijn.
»'k Verneem, Weledel Heer! dat zijn Hoog-Welgehoren'*,»
Houd op, verzoekt gij wis, etcetra, spaar m'jue ooren 1