Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
241
DE ORÓOTE tOFZArVG.
De Schepping -Wijdt aan U , o nooit hej^rtnnen ^
O Eeuwig 'God ! haar dankbaar lied ;
Maar de eindehmze lof van werelden en zonnen
Bereikt uw Grootheid niet!
Toch ziet uw oog op al uw werken neder ,
Gelijk het oog eens Vaders doet —
Neen! als een Moeder op het wichtje, dat ze teedtir
Aan 't gloeïjend harte voedt 1
De lofzang der natuur gaat niet verloren
Voor U, o Oppermajesteit!
Oneindige! Gij wilt het gonzend mugje hooren 4
Dat uwen roem verbreidt.
De Seraf gloeit voor ü ; Gij vangt zijn toonen ;
Voor U heeft zelfs de worm éen stem ;
En, uit den wereldbol, Avaarii» zijn magen wonen j—
Het stofje, hoort Gij hem 1
De noodstorm huilt uw' lof ; de donders melden
Uav kracht, die rotsen nederstort,
jEn 't suizend koeltje blaast uav goedheid door de a eldëri f
Wanneer het lente Avordt»
Het stelle denneuAvoud a erheft de toppen ,
En ruischt uav milde gunst ter eer;
Het nacht-viooltje juicht, en plengt de koele droppen ^
Des dauws Avellustig neêr.
't Zingt al uw' lof; maar schoon zij alle zwegén,
Hoe nietig waar, o God! die schijn!
Hun stil geluk verried , dat de oorsprong van dien zegèit
De Oneindige moet zijn!
R. FEtTH*
i3*