Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
10 OP DEN DOOD VAK EEV KIXD.
Vergeefs spreidt hij eea schoon ,
Een Majesteit ten toon ,
Bemind bij God en mensch.
Vergeefs bidt hem de wensch
Des pelgrims , die vermoeid
En van de zon verschroeid,
Aan' zijn bemoschten stam
Een koele "wijkplaats nam,
Verkwikt en blij te moS,
Een zorgloos leven toe.
De dankbre tortelduif,
Die in zijn hooge kuif
Een veilig leger vindt,
Smeekt vruchteloos den wind ,
Dat hij hem ruste geev',
En om zijn kruin niet zweev'.
"Wanneer de laatste storm
Den vogel en den worm
Neèrplettert uit zijn loof;
Voor al het bidden doof,
Zijn' stam om verre scheurt;
E^ii 't woud, dat om hem treurt,
Van zijn sieraad berooft;
AVanneer s'Jjn achtbaar hoofd
De moeder-aard' wc:r kust.
Dan eerst geniet hij rust.
Gelukkig 't rijsje dan.
Dat vro^g reeds rusten kan,
Dat jong gehouwen wordt •
Of schielijk henen dort!
Het voedde nog geen' worm ,
Het vreesde nog geen' storm,
Die slechts door boomen vaart,
En lage rijsjes spaart;
*t Gekabbêl van den vliet
Woelde aan zijn' voet nog niet;
Het zag nog nimmer kwaad ,
Dan dat weldadig kwaad.
Dat het ter aarde sloeg,
En in de ruste droeg.