Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
B E R F B E I). 219
Dien wellust van zijn hart nog om den hals blijft hangen ,
Wien 't klamme doodzweet druipt van de uitgeteerde wangen ;
Of't magtloos knikkend hoofd, dat aan ziju' boezem leunt
Of neiTzinkt op zijn' arm, voorzigtig ondersteunt,
Kn de oogenblikken telt, hem nog vergund te leven;
Daar elke klokslag reeds het siddrend hart doet beven,
Als reeds de laatste wenk der roepende eeuwigheid ;
Terwijl de levenslamp die naauwlijks licht verspreidt,
Nog eenmaal en voor 'tlaatst, bij 't aaklig kwijnend glimmen.
Haar flikkerende vlam verheldert onder 't klimmen,
En dan al nieer en meer heur scheemrend schijnsel derft.
Ai meer en meer verkwijnt en eindlijk bevend sterft:
Hoe toch beschouwt de'mensch de sombre treurtooneelen,
Die van zijn' eigen dood de treffende tafreelen.
Dat schouwspel dat de ziel zoo aantast, zoo verschrikt?
Is dat eerst loutre wraak den sterlUng toegeschikt?
Neen, Hemel! neen, uw liefde, uw grensloos mededoogen
Verbond aan 't sterfbed zelfs dat wonderbaar vermogen;
Zij smelt ons eerst afs wasch, en diepgevoelde smart
Drukt dan het beeld des doods krachtdadig op ons hart,
Dut,bloedende om een'vriend,ook voor zich zelv'moet schrikken,
En 't bloedt, en 't vreest, en 't lacht in de eigen oogenblikken 1
Nog dikwerf is de wang van zilte tranen nat
Als 't we'r zich zelf vergeet, in dwaasheid uitgespat.
De dwaasheid, waar we onszelv'zoo ijlings aan verslingren,
Wischt al den indruk uit met dartelende vingren,
Gelijk de holle vloed op 't overgolfde strand
Het luchtig lettersclirift in 's zaamgespoelde zand*
O N S T E R F E L IJ K H E ï D,
, 't is de onsterflijkheid, 't is enkel dat gevoel,
Dat midden in de ellende, in 's werelds Avuft gev»^oeI,
De ziel vertroost, vervult.—Zij , zij verheft ons 't harte
Ver boven alle vreugd , ver boven alle smarte.
Een naadrcnde eeuwigheid voleindigt tijd en lot;
Zij legt de laatste hand aan 't groote werk van God.
Zij stoot deze aarde als weg in 't hartverzweigend duister;
Hergeeft den vrijen mensch zijn' ongeschonden luister:
Dan praalt hij met geen reeks van ijdle waardighe^-n;
Dan zien we in 't beeld van God iiei beeld van God alleen^
't Aanzienlijke en 't geringe, en votu'-en tegenspoeden;
De gunsten van 't fiirtui« eu 's noodlots geesselrocdea t