Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
218
O N D E U G D.
T^at dan is ondeugd? spreek ! ontspringt zij niet het meest
Bij hem, die 't minste omvat in d'onbekrompen geest?
Eu wat godsdienstigheid ? zal deze in 't oog der braven
Geen opgeklaard verstand en bondig oordeel staven I
En wordt, waar zij bestaan, Lorenzoos dwaasheid dan
Ontmaskerd en bespot, ben ik er de oorzaak van?
Ik toch miskende u nooit, hoe hoog ge u mogt verhelfen.—
Zal nooit dan schaamte of vrees uw wreevlen boezem treifen?
Zijt ge, o verachte worm, dan nooit het wroeten moè!
Hoe Snelde ik u ter hulp, als uw beschermgeest toe.
En rukte u weg van de aarde, en trachtte u rond te leiên,
Als waart ge een engel Gods, door digtgeschaarde reijen
"Van zonnen, 't blinkend heir des hemels t rijk van gloed.
Ik voerde u , daar gij de aarde als wegstiet'met den voet.
Het stralend paradijs, 't verblijf der Godheid tegen ,
Keeds tot nabij den troon met u onïhoog gestegen 1
En drinkt gij nog dat gift, die vreugde 't liefst van al,
AVaar ze opgist enkel schuim , en neerzinkt louter gal?
Gevoelt de mensch zijn waarde, als onverganklijk wezen,
't Afschuwlijkste is eèa vreugd , die niet bestaat na dezen;
Een oogenbliklijk heil, te meer onze afkeer waard ,
Naar 't ons te meer bekoort en uitlokt hier op aard!
ï-n zulk een vreugde alleen kan u de ziel bekoren,
Ijorenzo! die zoo ras verdelgd wordt als geboren?
Is 't mooglijk? gij, wiens hart van niets dan eerzucht blaakt.
Wiens tong het kitt 'lend zoet der glorie lieflijkst smaakt,
Gij jaagt naar mv verderf, niet enkel door 't verachten
Van die hunn' godsdienstpligt zoo naauAvgezet betrachten;
Neen, door 't versmaden van u zelv', uw eigen ik.
Ja , ik zag in d' opslag van een' trotsgeAvorpen blik
't Verborgen hart reeds lang om eigen dAvaasheid blozen,
Hoe 't ergste misdrijf ook de afschuAvlijkste aller boozen
In 't schandlijkst kwaad verhardde en 't Aveek gemoed versteen,
*t GeAveten Avordt verdoofd, maar niet verdelgd, o neen.
STERFBED.
anneer de stén eling bij 't ziekbed neergezeten —
Het ziekbed mag te regt de troon der Avijsheid heeten,
L'it zucht tot leering bij dit treurtooneel 'vertoeft;
Of, om 't verlies eens vrieuds toi ia de ziel bedroefd,