Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
216
FRAGMENTEN
V 1 t
YOÜNGS NACHTGEDACHTEN.
WAARDIJ VAN DEN TIJD.
Dan waartoe van den tijd deez' uitgebreiden zang?
Natuur sticht zelve een school, en deed er eeuwen lang
Zijne onwaardeerbre waarde aan al haar kindj-en hooren.
Met eiken morgen wordt de mensch op nieuw geboren ;
Met eiken avondstond ontzinkt hem zijn bestaan.
Hoe!—bfeekt in eiken dag voor ons een leven aan,
En dooden we eiken dag?—Als hem een beusling martelt,
Hoe pijnlijk wordt h^j dan door 't misdrijf dood gedarteld,
En welk een vreeslijk heir van dagen , door 't vermaak
Mishandeld en vermoord, schreeuwt over't menschdom wraak!
Ach ! d'onwaardeerbren tijd wreedaardig om te brengen
Is snooder euveldaad dan eigen bloed te plengen.
De tijd vliegt heen; de dood dringt aan; dedoouklokslaat;
De hemel noodigt; de afgrond dreigt al wat bestaat;
Geheel de schepping werkt met aandrift en vervoering.
Ja, meer dan zij! — en wie, wie ronkt door die beroering.
Die snelgewiekte haast, dien vuurgen aandrang heen;
W ie slaapt waar alles werkt? de mensch, de mensch alleen;
De mensch, wiens—al te ras eene eeuwigheid vervangend.
Wiens uiterst, eindeloos, aan 't zwakste naartje hangend
En rustloos slingrend —lot slechts weinig uren blinkt
En boven d'afgrond beeft, waarin 't voor eeuwig zinkt.
Ja hij , om wiens behoud, om wiens geluk en leven
De alarmkreet der natuur zoo luid wordt aangeheven, —
Hij slaapt, hoe woest die storm rondom zijn' schedel vliegt;
Hij slaapt, als door dien storm in vasten slaap gewiegd.
Werp koningrijken weg, gij zult grootmoedig heeten.
Maar strafbaar zoo ge één jaar onnut hebt weggesmeten.
Grijp ieder oogenblik; al zijn ze kort, en vlug.
Der heemlen grondzuil rust op hunn' gevlerkten rug;
En smeekt ge om nog één uur, als 't uurglas is verloopen,
't Ontbreekt aan werelden om zulk een' schat te koopen»
Vertraag dan eiken dag; beveel hem stil te slaan ,
Ja , drijf zijn kar terug op de afgerende baau ;