Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
212 NA EEK ONWEDER.
Gij, God! mijn Kots! wiens naam is wonder.
De geest uws monds ontsteekt den donder,
Blaast—en ontkerkert storm en meer J
Gij zwaait gevleugelde verderven,
Doet werelden als gras versterven ,
En heel natuur zijgt vreugdloos neèr.
Gij lacht!—straks zijn de heuveltoppeflf
Versierd met vruchtbre pareldroppen ;
Het dal is in fluweel gekleed. —
Gij toornt! — de wereld is verzwonden.
Als damp, in zwoele lucht ontbonden ,
Als vonken, uit het staal gesmeed. —
De dwaal-en vaste starren-koren
Zijn van uw wondren voet de sporen,
'En EeuAvigheid is uw gewaad.
Gij goot onmeetbre wereldbollen,
Die naauw als heldre stippen rollen
Door 't ijdel, dat hun heir beslaat.
Toen woeste nacht het ledig vulde,
En heel natuur in ijzing hulde ,
Waart Gij hèt, die zijn' schepter braakt —
Daar gaaft g:e aan 't Niet den last te baren ^
Toen ge onafzienbre Wereldscharen
Met één bevel in wezen spraakt.
Gij blikt slechts—en die blikken ronnen
Terstond tot zoo veel heldre zonnen,
Tot vonken van uw heilig licht.—
Een Niet moet Dierenriem en Wagen,
Boótes en Orion schragen,
Gij hangt ze aan Niet in evemvigt,
Hoe groot, o God ! zijn uwe werken,
't Heelal doet uw vermogen merken.
Uw sterkte davert in den storm.
Maar o (hoe lieflijk bruist mijn ader!)
De volle Liefde van een' Vader
Verrukt ons in den kleinsten womi.