Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
207
i
VRUK \A\^OLGI\G
VAN
I)n. A. van ii a L L E R S
M O R G E \ G E D A C H T E ÏV.
Ik zie de zilvren maan verdwijnen.
En aarde en lucht niet meer bedekt
Door 't neevlig floers, dat haar ter nachtgordijn verstrekt;
't Gestarnt' begint reeds flaauw te schijnen;
En 't koestrend zonnevuur, der stervelingen lust.
Wekt alle wezens uit hun rust.
De luchtkreits tooit zich met safieren;
En 't vroege mor;ï;:eiïrood bereidt
Een purpren rozenkleur, die glansrijk zich verspreidt,
Üni 't hemelzAverk alom te sieren.
Hoe schoon schakeert het zich! hoe vlir^n, voor zulk een pracht.
De bleeke schimmen van den nacht!
De dagtoorts lonkt, uit de oosterdeuren
Der glinsterende starrenbaan ,
Ons naadrend Averelddeel met vriendlijke oogen aan:
De vale wolk wordt, door de kleuren
Van 't schitterend robijn in vollen gloed gesteld;
En brandend goud bedekt het veld.
De roos ontluikt reeds in de dalen,
En spiegelt zich in 't licht der zon,
Die ïn den dageraad , voor 't oog, een rijke bron
Van koelen paarlendauw doet t^ralen.
De leliebloem bezielt der blaadren teedre kleur.
Tot onze vreugd , met ambergeur.
Ik hoor den landman vrolijk zingen;
Terwijl hij op de velden zwoegt,
En, met zijn lot te vreèn, den vruchtbren akker ploegt.
De vogels , die hem blijde omringen ,
Vervangen zijnen toon , en vullen bosch en lucht
Met hunne stem en vroege vlugt.
O Schepper! al wat wij beschouwen
Is 't werk van Uw geduchte magt:
Gij , die natuur bezielt, hebt alles voortgebragt,
En blijft het gunstig onderhouèn: