Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
20C watkrsxoon es reddixo.
/iijii hart krimpt van verdriet; doch zijne hoop houdt stand,
Kn biedt, vertroostend , uit den hemel hem de hand.
Uw wil geschiede, o God! dus berst hij uit in weenen:
Ik weet dat wat Gij scheidt, Gij 't weêr zult zaamvereenen ,
Kn dat wat nootlot mij op de aard' beschoren is ,
Uw heilig oogmerk doelt op mijn behoudenis,
Gij, Man der Weduwen! o G-j der Aveezen Vader!
Zie, zie! roept Anna; zie men roeit en boomt ons nader..»
Een boot! haar steven houdt op ons aan Goede G^d !
Kan 't mooglijk zijn? Avacht ons nog uitkomst? zal ons lot
Zich Avenden? Hopen Avij, zegt Hugo; 't Alvermogen
Is immers magtig onze tranen af te droogen ?
Het wondt en heelt Ave r met de zelfde Üefdrijkheid ,
Die ons op 't levenspad zoo veel geluk bereidt!
Twee pijnlijke uren lang zien zij een' landman roeijen ,
INIaar toch gestadig hen al digt en digter spoeijen;
Hij roept in 't eind' , daar Hugo 't oor tot aandacht wet!
Juich! juich van 't Woud! uw vrouAv en kindren zijn gered?
Nu schijnt de li^mel zich Aoor Hugoos oog te ontsluiten,
Hij schöuAvt naar boven, poogt zijn dankbre vreugde te uiten.
Doch kan slechts staamlen, maar zijn aa'oordenlooze dank
Is voor den Opperheer den hoogsten wellustklank.
't Gevaar dat hem nog AA^acht, is voor zijn' geest verdwenen:
Hij stevent Avelgemoed in 't hobblend vaartuig henen,
En staat met forschen arm zijn' jongen redder bij.
Zij schieten veilig voort, en spoedig stappen zij
Behouden aan den wal , verAvelkomt van hun vrinden.
Die daar, door hoop en angst gejaagd, zich zaam bevinden.
Weldra ziet Hugo zijn geliefde gade Aveér;
En zijgt en zAvijmt op haar bestorven kaken nefr,
Haalt adem aan haar hart en drukt er 't zijne tegen,
Omhelst zijn telgjes als op nieuAV van God verkregen ;
En beide danken zij , voor 't kinderbed geknield,
De zorgende Almagt die hun kroost en hen behield.
J. IMNERZEEli I JUNIOR»