Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
REGT BOOR ZF.E,
ZEEMANSLIED,
.!^een, 'k Tvil met geen' schipper varen.
Die 't steeds langs de kusten houdt,
Op het veld der woeste baren ,
Zwak en laf, zich niet vertrouwt;
Hij , dien 't lust, zeil' met hem meS:
't Beste is altijd » regt donr zee."
'k Heb een afkeer van het sluiken:
'k \Vil het scherp en vorsehend oog
Niet aan 't lage strand ontduiken.
Schoon dit soms ffelukken moog';
Zoek' men vrij mijn lading na:
Begt door zee, hoe hol zij sta!
'k Wil geen enkel schip ontwijken,
't Zij dan ook van hooger boord;
Wat ik in heb laat ik bliike«;
De een zegg' 't vrij den aUdren voort.
Prijze of lake wie haar ziet:
Ik "schaam mij mijn lading niet.
Regt door zee! ik zal het wagen.
Wie dit ook vermeten noem'.
Moet ik soms een' stoot verdragen:
In 't volharden ligt de roem;
En, uit vrees of slaafsch ontzag.
Strijk ik nimmer laf mijn vlag.
Wie heeft regt mij voor te schrijven:
» Neem dien koers en wijk niet af?"
'k Wil in d'eens gekozen' blijven,
Wierd de zee dan ook mijn graf!
Wie mij moeij', wacht tegenweer;
Moet ik zinken, 'k ziuk met eer.
Maar 'k verga niet op de klippén ,
Waar de zAvakke stranden moet;
*k,Sta met géén bestorven lippen,
Als de orkaan om 't huikje woedt:
'k Voer, bij 't zeilen regt door zee.
Hoop op God, als anker, me^,