Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
watkïlsnood kn rkdoing. 205
WetT 't schuddend vensterraam door 't wassend water in;
Hij redt in 't heetst gevaar de panden zijner min,
En legt ze aan 't moederhart in biddend opzien neder.
IVlaar Anna? nogmaals keert hij door den noodvloed weder,
F.n luistert naar de bei van 't kermend Elsje niet.
Inmiddels scheurt een storm, die uit het nonrden schiet.
Het broze schuitkoord los, en slingert met de schotsen
Het veege kieltje Aveg door 't dooclschrikbarend klotsen
Des woesten vloeds , en rukt het in zijn warling mcj.
Van 't Woud keert met zijn dienstmaagd wet'r. Zijn horenvee
Loeit ijslijk in den stal ; het doet hem *t harte breken ,
En 'tschijnt met schorren kreet om 's meesters liulp te smeeken;
IVIaar wat vermag hij, daar 't gevaar'Steeds naderdringt,
yiii hem met donderstem tot zellbehoudnis dwingt?
Hij spoedt zich voort... Maar ach ! zijn hulkjen is verdwenen ;
De nacht verbergt het, en de storm versn^oort het Aveenen
Eln gillen van zijn gA die duizend dooden lijdt.
Verstijfd van schrik, gevoelt hij't gruuwzaanïst zelfverwijt
Zijn hart verscheuren en zijn roekeloosheid vloeken.
En w^aar vertroosting , waar behoudnis nu te zoeken!
Nog immer zwelt de plas, en't stormt al woester aan;
Zijn muren wankelen, en dreigen ne-'r te slaan.
Hij klautert dies naar't dak, en helpt met siddrende armen
Zijn dienstnïaagd, biddend om zijn nienschelijk erbarmen,
Ten steilen gevel op ; daar wacht hij de uitkomst af,
Doch spelt zich uit den vloed ziju moordhol en zijn graf.
Afgrijsselijke nacht voor teedere Echtgenooten!
Straks rustend , hart aan hart en arm in arm gesloten,
Nu afgezonderd, beide in d'ijsselijksten nood
Ter prooi geworpen aan den zwelglust van den dood!
Maar wat gevaren ze ook hun 't leven zien bestrijden,
De wreede onzekerheid omtrent elkanders lijden
Verscheurt, verplettert hun het harte 't allermeest,
Daar elk meer voor zijn ga dan voor zich zelve vreest..
De dageraad rijst traag aan de ijslijk zAvarte kimmen,
Als beefde zij van angst haar nachtkoets uit te klimmen
En neèr te blikken op 't afgrijslijk treurtooneel.
De stem van Hugo stokt in schorgeroepen keel;
ïlij vangt in'tAveenend oog de scheenirende uchlendstralen,
En laat het angstig over tle ijsbre vlakte dAvalen:
Alom vernieling, dood en doodsnood Avaar 't zich rigt 1
F.en zwalpend bootental valt flaauAV hem in *t gezigt;
Doch hoe hij staar', hoe \v\ d zijn blik zicli heen moog' strekken.
Hij kan bij 't lijzeud licht ziju huikje niet ontdekken.