Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
204 .w a t f r s n o o d k n redding.
De grijsaard is gered! Eii, denl^t gij 't, lieve vrouw,
Dat'zij den reddiiigsprijs te ontvangen weigren zou if
Heb, spruk ze, een' braven man behouden in bet leven ,
Die aan mijn Moeder en aan mij steeds werk gegeven,
Kn woning, voedsel en genoegen heeft verstrekt.
Mijn pligt, en niet uw loon , heeft mijnen moed gewekt.
Kr is z(»o veel verwoest; wat ge me aanbiedt, strekken
Om de ongelukkigen te voeden en te dekken ! —
y/ie da^r wat mij weerhield, o Brave , brave man !
Zegt Kipje: waant gij dat ik u niet schatten kan?
pat ik een ongenblik uw goedheid zou verdenken ?
Maar...blijf voortaan bij mij...en...bij uw kroost...Nu schenken
De gadeji onderling zich tranen, kussen, dank,
^iet harten even blij, met zielen even blank,
Na znlk een zware taak van hopen en van vreezen,
Moest beider slaap gerust, diep en verkwiklijk wezen.
Ook de eeuwige onrust, die rondom hun woning woedt.
Stoort hunne rust niet, door vermoeijenis gevoed:
Zij slapen! — maar 't verderf snelt, als een nachtverrader.
Op vleugels van den storm hun legerstede nader.
Beeds ligt de wal doorboord, de schutsmuur van hun oord!
de ijsvloed stormt,en stort,en schuimt door de oopning voort,
En overstroomt het veld , rameit op wand en muren,
En sleept de schatten meö van stal en voorraadschuren ; —
En ach , zij slapen, van hun noodlot onbewust!
Kampzalig'oogenbiik ! afgrijsseli ke rust t
Nog éénen polsslag, ligt, én af en zijn verloren!
Reeds komt het moordend ijs door deur en venster boren!
Reeds klotst het water rond door 't veege slaapvertrek,
Kn zwalpt de randen langs van 't wollen legerdek!
Het huisraad stort opeen, en heeft bij 't nederploflen,
God zij geloofd! 't gehoor der slapenden getroflèn;
^ij vliegen gillend op; zij tasten Avoest in 't rond,
Kn springen in den vloed bi) 't zoeken van den grond.
Bedaard ! zegt Hugo: dat "ik even mij berade! . .
■\Velaan! ... geene andre keus..! Nu beurt hij zijne gade
Op de ijsren schouderen, en slingert van het bed
't Verwarmend dekkleed haar om 't ligchaam; zij verzet
Zich vruchteloos, zij roept haar kroost, het mag niet baten.
moet haar kindren in haar woning achterlaten.
Van 't Wpud waadt voort; hij tilt zijn Elsje't venster uit,
Kn torscht haar langs zijn erf naar zijne zuivelschuit,
Keeds lang in voorzorg 't slaapvertrek nabij getrokken.
Üij keert terug, en klimt, bedaard en ouvêrschrokken,