Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
watersnood en redding,
203
Met jnoeite omlioog, en laat het op zijn' boezem dalen;
Haar levenskracht keert wei-r in 't ruimer ademhalen.
Zoo rigt ook 't veldgroen, door de middagzon geschroeid.
Het hangend hoofd op als het de avonddauw besproeit.
Gij leeft dan, dierbre man, zegt KIsje: hoe veel smarte
Heeft uwe afwezigheid berokkend aan mijn harte !
Verlaat mij toch niet meer; gij weet niet wat ik lij !
Heb deernis met uw kroost! erbarm u over mij I
Houd op! zegt Hugo: ach! uw beden zijn verwijten.
Die mijn gevoelig hart te fel in wonden rijten.
Nooit hebt gij mij gesmeekt: ik raadde uav wenschen steeds,
Kn eer gij't'wachtte, zaagt gij hun vervulling reeds.
Ach ja, geliefde! ik kon uwe ongerustheid gissen;
Maar hoor wat mij weerhield, en'k laat uw hart beslissen.
Niet ver aan gene' zij' des dijks, van ijs omringd
En bruisend Water, waar geen boot door henen dringt.
Bleef in zijn eenzaam hutje een man van tachtig jaren ,
(Eerwaardiger door deugd dan door zijne grijze hairen)
Door storm- en ijskracht met een' wissen dood bedreigd.
Aan doever stonden wij , het hart tot hulp geneïgtl,
Maar niemand dorst zich aan der golven forschc slagen
En 't hortend slingeren van de ijsgebergten wagen.
Ik bied een woning en een drietal rundren aan ,
Voor hem die 't heldenstuk terstond durft onderstaan
En 's grijsaards leven redt. Men ziet elka:ir in de oogen.
Men meet den woesten plas, en schrikt voor.'t hachlijk pogen,
Weldra, ea onverwacht, verschijnt een ranke boot, —
En Avie is 't die met haak en riem ze voorwaarts stoot ?
Een jonge Maagd! Men roept, men tracht haar af te schrikken.
Doch vast staat haar besluit, nog vaster staan haar blikken :
Er straalt niet enkel moed, maar tevens kalmte uit voort.
Zij Avorstelt tegen 't ij» het vaartuigje in , en boort
Hier tusschen schotsen door.stuurtmijzaamdaarlangs anderen.
Beukt, waar 't haar koers vergt, ijsgevaarten van eikanderen ,
Die tegen druisschende haar rugwaarts drijven. Lang
En onafmatbaar houdt zij aan in 't woest gedrang.
In 't eind' bereikt zij 't 'stulpje en ziet den eedlèn grijzen
Voor 't geen zij onderneemt, èn hij moet Avagen, ijzen;
Hij sleept met siddrend been , en wagglend op zijn' staf,
't Verstramde ligchaam voort, en stijgt in 't nulkjeu af.
De rustige Heldin verdubbelt nu haar pogen;
Vertrouwt zich Aveêr den vloed, eu schouAvt met honderd oogen
ïn 't ronde, en stuwt het bootje omzigtig naar den wal.
Wij zien haar naadren , en ons juichend vrengdgeschal
Vliegt haar door hagelbui en lelie Avindvlaag tegen.
(God lof! zij stapt aau laad! zü keft haar' weasch verkregen l