Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
202 WATERSNOOD EN REDDING.'
Zijn teedei' ïilsje kent den noodstaut der rivieren ;
Zij hoort den storm gestaag door 't dor geboomte gieren |
Kn scheren langs het ijs en fluiten door het riet;
Kn elke woeste vlaag, die langs haar hoeve schiet,
Scliiet tevens door haar hart en doet het sterker kloppen.
Dan vliegt zij naar haar kroost, en stort er tranendroppel!
Op neder met een angst, die wild in 't ronde tuurt,
Kn door het venster naar de veege noodweer gluurt.
Haar ligchaam vordert rust, maar'tkan geen rust genieten;
Kn zoo om middernacht haar de oogen eens beschieten,
't Is zwoegen, hijgen, en slechts voor een oogenblik;
Want elke stormschok doet haar telkens Weêr met schrik
't Gezigt ontsluiten; en, bij 't wentlen op haar sponde.
Tast zij, bedwelmd , naar gade en kinderen in 't ronde ,
Omvademt ze allen, zinkt er afgemat op nerr.
Luikt de oogen —'t stormt op nieuw en ijlings rijst zij wetr.
Als zij haar' echtgenoot, de doodverw op de wangen ,
Naar buiten treden ziet, bli ft ze om den hals hem hangen ,
Kn smeekt dan, dat hij zich niet blootgeve aan gevaar.
Als vader en; als g^^ zijn dierbaar leven spaar',
Ku hij toch niet op nieuw tot anderer behouèn,
lu ijs" en waterdrang zich roekloos ga vertrouwen.
Daii staart ze, een steenen beeld gelijk, haar'braven g.-l ,
Zoo ver de weg 't gehengt, in roerloos treuren na.
Verdwijnt hij—o! dan zucht ze in biddenden gemoede•
Ach , goede hemel 1 neem mijn' Hugo in uav hoede \
Nu spoedt de vijfde dag ten eind'. Met ongeduld
Wacht zij haar' terug. De forsche noodwind brult
Met onverpoosden aam; een vloed van hagelsteenen
Stroomt neèr en klettert lanes de vensterramen henen,
Kn jaagt haar nieuwen schrik door hart en lijf. Zij tracht
Het zwart der vlaag en van den naderenden nacht,
Met stijfgevestigd oog, den weg op, door te dringen;
Maar vruchteloos! Haar angst wordt wanhoop, handenwringen
Kn snikkend schreden om het nootlot, dat gewis
Haar' lieven echtgenooot deez' dag bejegend is.
Zij zijgt in de armen van haar dienstmaagd, geeft geen teeken
Van Teven; de ademtogt schijnt in haar borst bezweken.
Haar ligchaam door de kou des doods alreè verstijfd.
W'at mag de reden zijn dat Hugo achterblijft?
Zou ligt.,?maar'khoor gerucht..mendraait de hoefpoort open.;*
Treedtin.. .komt nader. ..aan de deur reeds.. .mag men hopen?.
De deur ontsluit zich... Klsje! o God! gilt Hugo uitj
Ka huiverend rigt Elsje 't Jioüfd, op dit geluid,