Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
wat'khsxood kn redding. 201
E'1 onderling zkU voorwaarts stuwen in haar vlugt,
Kn tuimlen in den stroom met donderend gerucht,
En , op haar beurt gestuwd door andere ijsbergklompen,
ïn 't borlend water naar de diepe bedding plompen ,
En opwaarts worstlen in het nederschietend nat ,
Dat weffstuift, uitklotst en zijne oevers overspat,
En, zelf bestookt, alom de velden komt bestoken;
Zoo schiet de leeuw ook , in een bergkloof ne rgedoken,
Door honger aangeprest, zijn hol wanhoj)ig uit.
En slagt het weerloos vee i dat vreedzaam weidt in't kruid.
De dijken beven op hun grondvest. Duizend handen
Ontrooven zand en klei aan de omgelegen landen ,
En torschen , kruijen ze ter steile dijken op,
Opdat hun hooger kruin het zwellend water stopp'.
De werkzaamheid groeit aan bij 't groeijen der gevaren.
Al wat de kunst vermag komt 'met de vhjt zich paren,
En aller ijver wordt door 't hoog gezag gespoord ,
Dat, spottend met den dood , door stroom en ijsdrang boort,
Om 't veeggelegen land, mag 't wezen , te beschutten ;
Doch vruchtloos is het, dijk en noodweer te onderstutten.
Het ijs wordt rots; het kruit zich torenhoog opeen ,
En breekt, van storm gezweept, door dam en landschut heen,
IVeCi'tuimlend van de hoogte , ontbindt door eigen zwaarte
/ich over 't schokkend land het schrikbaar ijsgevaarte.
En stuift, in stof en klomp , daar henen ver in 't rond ,
Scheert hutten van den weg , scheurt bosschen uit den grond,
IMengt in den dwarrelvloed den ploeger met z^n ossen.
Den herder met zijn kudde en fdkkers met hun rossen ,
j;n brult en dondert met afgrijsselijk geluid
Terwoesting, schrik en dood öp stad en dorpen uit.
Van 't AVoud, door hoop en vrees geslingerd, ziet de ellenden
Hare ijsbre stappen steeds zijn landstreek naderwenden,
Maar tevens reuzenkracht, en zijn behoudenis
In d'aangeschonnen wal die nooit bezweken is.
Hij schoort met eigen vlijt, met knechten en vermogen
Der dor[)eiingen zorg en' onafmatbaar pogen ,
En gaat, waar 't nood is, hun met heldenkloekheid voor,
En slooft, en tobt, en zwoegt een drietal nachten do(»r.
Jleeds mogt het aan zijn moed en mensciienmin gelukken.
Een brave moeder met haar kroost den dood te ontrukken,
Daar hij , zich roeijend door den vloed , met Avonderkracht,
Van 't weggeslingerd dak hen aan den oever bragt.