Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
196 lierzang op de roos,
Zing , Dischgenoot! zing vrolijk met my meè !
De Roos , de lust van gulden Cythereè:
De schoone Roos, 't bemind gewas der ne-
gen Zanggodinnen 1
Schoon zy de hand met spitse doornen drukt,
Wanneer men haar den groenen steel ontrukt;
Wie leeft er, die geen lieflijk Roosje plukt
Met blijde zinnen?
Hoe aangenaam zijn haar satijnen lilaan I
Men brengt de Roos op blijde" tafels aan,
En Bacchus feest. Wat wórdt 'er toch gedaan ,
Wat zonder Rozen?
Haar purper doet den schoonen Dageraad,
Die 's Hemels poort in 't Oost' ontsluiten gaat.
En 't Wagenspan van Titan binnen laat,
De vingers bloozen:
Zelfs Cypris wordt , van die haar schoonheid roemt,
In heilig Dicht, naar dezen blos genoemd.
Der Helden graf versiert men door 't gebloemt'
Der Rozelaren.
Niet minder is haar frissche reuk geacht:
Vergeefsch beproeft de tijd daarop zijn magt;
Haar geur houdt stand, hoewel haar tooi en pracht
Zijn weggevaren.
Doch melden wy hoe ze eerst haar' oorsprong kreeg!
Als Venus uit de azuren golven steeg
Der zee, die voor haar oog zich stilde, en zweeg.
En scheen te slapen;
Wanneer Minerv', uit 's vaders achtbaar hoofd.
Door 't diamant van Mulciber gekloofd,
Met speer en scliild, wier glans den glans verdooft
Van Mavors wapen.
Te voorschijn kwam : toen is de nieuwe plant
Der Roos, gevormd door de alleswijze hand
Van vrouw Natuur, uit 's aardrijks ingewand
Eerst voortgesproten.
Het Godendom zag 't Roosje pas volbloeid.
Of heeft het met zijn' Nectar mild besproeid;
En uit haar' struik is de eedle Druif gegroeid,
Die sedert wortel heeft geschoten,
w* bilderdijk.