Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
192 kedkrlaxd in 1C72 kn' 1078*
Nu rijst van onder 't prachtig marnier ,
In Delft gesticht voor Neerlands held,
Met onweérstaanhre kracht die groote regtbeschermer t
Hij smaadt de rust van 't graf, daar 't onze vrijheid geldt;
Hij toont het gapen zijner wonden ,
De wet verscheurd, 's volks regt geschonden;
Zijn oog schiet vonken uit, zijn heldenboezem zwelt;
(Zoo zag Jupyn, toen hij de 'Titans had geveld!)
Bezielend zweeft de schim langs de onverheerde gronden ,
Ên ieder bui'ger wordt een held.
De jonge A'orst C^), uit d'eelsten stam gesproten, .
Gevoelt zijn' heldenmoed vergrooten :
Hij snelt in 'tuur des middernachts,
Van't menschdom ongezien, slechts zigtbaar aan zijn'vader.
Naar 't grafgesteent' des voorgeslachts.
Hij treedt de welfsels in, stapt de achtbre schimmen nader;
Zweert d'eed van Hannibal voor 't oog der Oppermagt.
»Help God; dat ik 's volks ketens slake!
« k Zweer Frankrijk onuitroeibre wrake;
»Breek ik mijn eed, dat mij dan 't voorgeslacht verzake,
»Mij uit hunii' kreits verstoote, en 'tnakroost mij veracht',
»Gelijk een' vreemden slaaf, in schande voortgebragt!"—
Gij weet het Lodewijk, heeft hij zijn' eed betracht?
Nu barst elk los gelijk orkanen!
Als Niagaraas val, met donderend geluid ,
Stort Neêrlands heldenvolk op Frankrijks legervanen;
't Valt alles aan den Leeuw ten buit.
Gelijk, door jagers afgesneden.
Een hertejagt, met dikbeschuimde leden.
Zich stort in d'opgezwollen vloed;
Vooruit snelt, rugwaarts vliefi:t, door de angst désdoodsge-
Zijn spoor verdelgt door stoute sprongen , (drongen ;
Maar moede en afgerend, met toegeschroeide longen,
Bezwijkt en sneeft aan 's jagers voet:
Zoo snellen, wenden , vlugten, krommen ^
Zich nu des vijauds legerdrommen ,
En storten neèr in Maas of Waal:
Vergeefs ! geen hunner zal den klaauw des Leeuws ontkomen-;
Hier baten vest, kartouw noch stroomen;
Zij sneuvelen door 't Neèrlandsch staal.
ff^illem de ///.