Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
fragmenten uit hkt g r a k. 185
Vergeefs kAvam de avond met zijn' dauw haar knopjes voèn:
/ij kwijnde, dorde, en riel als alle rozen doen.
ïk zonk mistroostig op haar dorre blaadjes neder,
IVIaar koos nog duizendwerf een' nieuwen afgod weder,
Ker mijn vervoering voor een hersenschim verdween,
Ker mij de wijsheid met haar zuiver licht bescheen.
God lofl zij leerde mij, na zulk een angstig zwoegen,
Den prijs, den waren prijs, van 't ondermaansch genoegen^
Den glans dier waterbel, die nimmer schooner blinkt,
Dan op het oogenblik waarin zij eeuwig zinkt.
Kn nu, zoa nu mijn ziel haar schittring niet verachten?
Zou zjj op nieuw haar heil van 't nietig stof verwachten?
it * *
o Deugd! hoe lacht uw glans mijn starend oog hier aani
Waar zonnen rijzen , en weêr zonnen ondergaan.
Waar zegels, doorgeknaagd, in 't wachtend niet ver/.inken.
Blijft uw verheven schoon met d'eigen luister blinken I
Gij waart de zaligheid van 't vroegste voorgeslacht;
Gij blijft den jongsten troost, dien 't laatste naki*oost wacht.
"Waar alles ons begeeft en wij ons zeiven derven.
Biedt gij den laafdronk, die ons juichende doet sterven! —
Hoe luttel mist het hart aan al die zaligheid.
Die op den rand des grafs voor altijd van ons scheidt,
En daar, waar wij 't genot voor eeuwig Aveg zien spoeden.
De neiging in de ziel nog als een' beul doet Avoedeu!
Hoe weiflend is het heil, dat ons dit stof belooft!
't Behoort niet tot den mensch , wat hem de dood ontrooft.
o Aardsche heerlijkheid, waaraan we ons hart gewennen,
't Is op een graf alleen, dat wij uw waarde kennen!
Daar zinkt de sluijer weg, die 't zinlijk oog verblindt;
't Is edel, wat de mensch ook daar nog edel vindt.
De hartstogt zwijgt er, en de vleijers zijn geweken;
De waarheid kan net best bij tombe en graven spreken.
De troon leent daar geen' glans aan zijn' bezitter meer;
De hut werpt daar geen' nacht op haar' bewoner neèr.
't Arduinen praalgesticht moog dwazen nog verblinden,
't Is haglijk in het stof den Koning nog te vinden,
Die , nu 't gezonken hoofd geen diadeem meer draaft,
't Gewormt' niet weren kan, dat zijn gebeent' doorknaagt;
Zelfs de overwinning ziet haar blinkend eerloof tanen;
Zij zoekt naar haren roem, maar vindt slechts bloed en tranen,
D§ held wordt moordenaar, om wien de menschheid schreit.
En haar geroep klimt op tot Gods regtvaardigheid.
H. i'£.rrH.