Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
184
FRAGMENTEN UIT HET GKAF,
DE WAARDIJ DER DEUGD,
Beminnelijke jeugd! ik was, wat gij thans zijt;
Haast wordt gij wat ik ben ; uw jeugd vliegt" met den tijd !
Smaak, smaak haar zaligheid , en smaak haar als een' zegen,
Maar denk niet, dat uw heil op aarde ooit zij gelegen.
God zaaide't schoonst gebloemt' voor de onschuldvolle jeugd.
Maar bond het waar genot aan ongeveinsde deugd.
Deze adelt eiken wensch, en leert 'ons tot ons sterven,
Altijd voor hooger heil een minder heil te derven.
Zoo' legt het vrolijk wicht allengs het speelgoed af.
Dat hem in. vroeger tijd de teêrste moeder gaf;
Zoo zullen wij met.vreugd ons aan *t gemis gewennen.
Wanneer wij telkeiis n>eer een hooger uitzigt kennen.
De rede leert het ons, en wie zijn' adel voelt,
in wiens verhevea hart een vonk der Godheid woelt.
Zal,waar hij al't gebloemt* derjeuijd op't schoonst ziet prijken,
55ijn zegel juichend aan haar zalige uitspraak strijken:
» Een vreugd, die ons ontvlugt te midden van 't genot,
V En streelend voorbereidt tot een ondraaglijk lot,
3» Die eeuwig ons begeeft eer wij haar aanzijn vreezen ,
5> Kan voor den eedlen mensch bet waar geluk niet wezen !"
Ik vond, ik vond in 't eind de blijde zielrust WeAr;
Maar ach 1 hoe diep sloeg eerst de ramp mijn uitzigt neer!
Mijn beste tijd vloog heen in tranen en ellende.
Eer ik liet waar geluk en mijne dwaling kende,
Eer mij een lange druk van mijnen waan genas,
Dat hier een hemel en geen nietige aarde was, —
Eene aarde, dié geen heil, bij al haar' glans, kan geven,
Dan 't uitzigt vooi^ de deugd'op een toekomstig leven.
Mijn roosje was een roos; zij bloeide en dorde heen;
^j schonk een waar genot, maar ach l haar duur was kleen !
Wie haar. als roos genoot, zag treurig haar verkwijnen.
Maar voelde- met: haar' bloei zijn aanzijn niet verdwijnen.
Mij slechts, mij Averd ze een straf, een 'zwarte jammerbron;
ïk'wachtte van mijn roos, wat zij niet geven kon.
Natuur had haar al 't schoon der'schoonste bloem gegeven.
Maar in haar rijkst sieraad verganklijkheid geweven.
Dus had ze* al wat -het oog, al wat 'de zinnen vleit,
Maar ik, ik leende een bloem , een roosjen, eeuwigheid.
Daar slonk mijn hoop in 't stof.—Vergeefs poogde ik te waken.
Vergeefs kon laidclagstraal, noch worm haar' wortel j aken.