Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
18:2 de vorstin in hex dokf,
Och, onzen Invalied! Zij merkt, hoe de oude bloed
Het bevend ligchaam met zijn krukje schragen inoet,s
En wijst hem, uit de vert', den leunstoel aan zijn zijde!
hendrik.
Gelukkig Volk, dat God met een Vorstin verblijdde,
Die op het grijze haar een blik van eerbied slaat!
zwaantje.
IMaar net en kostbaar is ze, en dat 's de regte trant.
Met ligte vodden sluipt het geld maar uit het Land.
't Wordt in dit huis ook voor de Kindren dus begrepen;
Dat lieve Drietal, nu, zoo 'kgis, van angst benepen,
Om 't hier verschijnen! Ameli' wordt vijftien jaar;
pie zal zich redden; kan de zoete Stans het maar;
Zij is eerst zes! Alix behoeft niet veel te wijken
Voor de oudste, doch heur aard laat meerder schroom te blij'
Zijn zji dat daar? (ken,
hendrik.
Zij zijn 't! En... houd uw 'hart maar vast!
Zij brengen makkers meè; waarbij een kleine gast,
Die ons raakt, . . •
zwaantje.
Ida? Ja, onze Ida, al haar leven!
Maar zülk een pronk ? Die heeft de Landvrouw haar gegeven!
Wie anders toch ? En w{f zijn daarom hier genood !
't Is of een daauw van schoon rondom den Engel vloot !
Ook Stansje tuurt op haar, met innig welbehagen;
Terwijl zij , 'k weet niet Avat, dat blinkt, te zamen dragen.
hendrik.
't Sfheen haast een zilvren mand, waarin een ruiker lei',
zwaantje.
Alis en Ameli', die voorgaan, allebei'
Ken speeltuig iu den arm! En zoo veel blonde kopjes,
Die volgen ; wélgeschaard, en in haar beste nopjes;
Met maagdepalm bekranst!
Zij naadren de Vorstin,
Hoe flonkert haar gelaat! Men leest er spoedig in.
Dat iii ook Moeder is.
't Hangt rondom aan hare oogen j
Die onschuld! — Ida staat, in 't kleine hart bewogen,
^fiet anders of ze bidt; zij knielde uit ootmoed neêr;
Indien zij dorst.
Zie gij; ik kan 't slechts duister meer;
Zoo roert het mij de ziel»