Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
üe %'oiistin in het dorp. 181
't Loopt ginder, voor de Zon, te druk.
Wel, dat 's een leven!
Paar is geen ploeg te gang, geenschup aan 't werk gebleven.
£n Meisjes, groet en klein' Maar 'k zocht naar onze Twee?
zwaantje.
Pie vond ik al: zij staan voor 't raam bij Domenee;
En daar de Jongens; met hun snaphaan zou'ik meenen!
hendrik.
Manhafte schutters, Kind!
Gaan wrj nu deez' zij* henen,
Door 't achterwegje naar 't Kasteel; (de Landv'rouAv heeft
Ons gistren nog op nieuw doen nooden , zoo beleefd
Of ze ons gelijke Avas) dan kunnen Ave, aan de trappen.
Haar Hoogheid van digtbij den Avagen uit zien stappen.
Hoort gij de klokken 1 Welk gejuich! Zij nadert vast.
Gelukkig zijn we aan honk. Het had ons haast verrascht.
zwaantje.
Nu, dat is kostlek! Dat staat heerlijk, moet ik zeggen!
Pie eerboog ginder aan de straat, en aan de heggen ,
Den huisweg langs, die bloemenslingers, links en regts!
En dat portaal hier voor de stoep is meê Avat echts!
Als hardsteen gansch en al. En daar omhoog! hoe zwaaijen
De vendels, die den top op eiken hoek verfraaijen!
de landhekr.
Weest welkom , Vrienden I Reeds verloren Avij den moed,
Zoo laat kAvaamt ge opgedaagd; maar 'toverleg wasgoed:
't Is juist tijdl
de landvrouw.
Welkom , Zwaan! Nu, Gij volgt meê naar binnen,
Haar Hoogheid na. Zij Aveet eens ieders hart te winnen.
Zoo vriendlijk is ze, en gul; ziet dat eens van nabij.
Tot straks !
hendrik.
Hm! — Zwaantje, regts! Die met heur star is Zij.
Al minzaamheid! 'k erken *t! —
Hoezee i Hoezee! Gods zegen
Op onze Landvorstin I
zwa\ntje.
'k Heb hier een plaats gekregen ;
Ga maar niet verder, Hein; het bragt mij van mijn stuk.
Als zij ons aankeek.
Wel, wat heeft ze 't danig druk
Met onze Landvrouw! Doch zij schijnt daar iets te ontdekken,
Nabij het venster, dat hare aandacht afkomt trekken.