Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
180 de vorstin in het noflp.
De Jongens als een wolk ! Ons Stijntje net ecn roos!
Maar Ida, . ! ('k durf het u bekennen , Hein) ik bloos
Somwijl van stille vreugd , wanneer mij 't englenwe/en
A'^an 't vleijend Wicht zoo treft.
Doch hoor! . ik zou haast vreezen ,
Dat Albert. . .
hendrik.
Ja, hij wacht, en Bles, gelijk gij weet,
Staat niet geduldig stil.
ZWAANTJE.
Wel aan; ik ben gereed.
HENDRIK.
Nu, Albert, zoo gezeid! Blijf ^i'/ het huis bewaren.
Gij hoort van a tot z , geheel ons wedervaren ;
Kii of de Vrouw misschien den Joodschen kramer sprak —
Zij kent dien halsdoek, die u lest in de oogen stak —
Wie weet! . .
Ho, Bruintje-maat! Wij gaan geen houtvracht halen !
De koers leit re»!:ts, naar 't Dorp. Daar zal't aan voer niet
Tsa, spoed u wakker! (falen!
ZWAANTJE.
Lieve Hendrik, wat gejoel,
Daar langs den hoogen weg ! Ik weet niet wat ik voel,
Als ik zoo velen zich om éêne zie verblijden!
HKNDIIIK.
't Gaat mij daarmee alsu; maar'k liet me ook nooit ontstrijden,
Door boeken of door praat, dat hij , die de Eerste hiet.
Spijt al zijn zorgen , toch een deeglijk lot geniet;
E)n, zoo 'k geen Bouwman was, ik wou' wel de Eerste wezen ;
Kreeg ik verstand met een ' Die zorg ? — 'k Weet ook van vree-
Denkt hij aan oorlog, ik heb angst voor hagelslag, (zen!
Maar 't ons bereide loon scheelt meer dan nacht en dag,
Wanneer het goede lukt, waarnaar wij beide streven!
Mij danken, naast mijn deur, een brave ziel, zes, zeven;
Hem honderdduizenden, verpligt door ééne daad!
Hoe draagt hij toch de vreugd? ïk gun hem pronk en staat;
Maar, ja! zijn magt! . . . daar valt een hemel meè te Avinnen;
Dat 's ?/uyn'dunk.
Zachter, Bles! zoo dol het Dorp riiet binnen;
Elen weinig stemmigheid voegt mij, als Onderling.
Wat zegt gij, Zwaan? Dienaam klinkt tegen JTorsi gering!
't Schoolmeesterlijke bloed , dat mij en u door de aders
KAvam vloeijen , wederzijds , door moeders en door vaders ,
Maakt dit alleen wat goed — niet waar?
Nu afgestapt!
Hier maar, voor d'eersten stal; daar Alberts zwager tapt: