Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
I)E VORSTIN IN HET DORP*
hendrik. zw1a?5tjr# landheer. landvrouw. amema
en Aux zingend.
hexdrik.
K oni, Albertj span vast aan; de Vrouw is in de kleéren|
't Wordt tijd!
Wel, Zwaan , wel, Kind ! Dat hiet den feestdag eeren!
Gij ziet er kostelijk van top tot teenen uit,
En, ongelogen, nog zoo jeugdig als een bruid.
Wanneer de goê Vorstin ons Dorpjen in komt trekken,
Zal ze onder 't volk de Vrouw van 't Zuidbosch ras ontdekken}
Zij knikt u mooglijk toe, maar droomt er wis niet van.
Dat Zwaan vier spruiten om haar disch vertoonen kan;
Noch, dat ze al twintig jaar met Hein het Jï/A-moest dragen >
Zoo 't onze koster noemt e, als hij zijn nood kwam klagenJ
Gestreeld van Jakomijn. Hij oogkte , naar de vrucht.
Die hij had uitgezaaid! God dank , dat ons geen zucht
Naar geld en goed den knoop van onze trouw liet sluiten!
De vrede woonde in huis, en de onvreê stond er buiten.
Het reikte krapjes om, temet! Een enkel paard ;
Twee koeijen; 't akkertuig ^een twintig daalders waard,
En mij door Tijs-oom van zijne armoA meegegeven!
(De brokken lei' ik weg, uit dank) maar, wat wij drevert
Had eendra^t tot begin; Gods gunst zag op de vlijt;
En 'sLandsheers voordeel ging het mijne staag ter zijd'*
ZWAANTJE.
En, Hein! Die zoo veel goeds ons mildlijk zond vanboven,
Verschoonde ook 't Zwakke Vat, dat wankelde in 't gelooven ,
Jiij vroeger kommer: toen mijn Eerstling hooploos lag,
In 't schamel wiegje; 't zaad , geknikt door hagelslag,
Geen derde gaf, en ons, als 't jaar ten einde neigde,
De kleine huurschuld maande, en dan de honger dreigde*
Zoo stond het toenmaiils 1 — thans! — wij overzien het niet!
Heel 't Zuidbosch, met de Dreef, die langs de pachthoef schiet,
Zijn 't onze; en in den stal vijf Vriezen, puik van loopers I
Ons Horenvee , wat slag! 'k Heb voor mijn aanfok koopers,
Te kust en keur; veeltijds het i*onde jaar vooruit.
En dénk ons Kindertal, dat, schoon 't de som besluit,
Aan mijn hart en aan *t utc het dierst ia ! Kuigzaam , zedig,
Goedhartig, en opregt; van 't spelboek af nooit ledig.
12