Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
16Ö HET LANDLEVEN-
Vrliwiïlig bajiling aan z^ne afgelegen kusten,
Zi<'K zelv' genoeg zijn, en op zijne grootheid rusten.
Te vreden met zijn deugd, zijns vijands nederlaag,
*t Geredde Romen, en 't verpletterde Carthaag.
Op 't eenzaam Tibur in een lagchend dal gezeten,
Kon Flakhis daar het hof met al zijn' glans vergeten!
Een maal van needrig moes, op eigen grond geteeld,
ï^en kruik Falerner met een' wijzen vriend gedeeld.
Een zuivre toon van 't hart, onttokkeld aan de snaren,
Te met een kleine togt op de effen Tiherharen;
Maar altijd zoete rust en ongestoorde vreê ,
"Was hem daar hof, vermaak, glans, roem en Lalagé. —
Ook voor uw lijdend hart, beroofd van hoop en vrinden, '
jPegaafde Cicero! was daar nog troost te vinden.
De vrijheid kwijnde en stierf — uw» Rome was niet meer.
De blik eens burgers zonk alom op slaven no^r.
Geen uitzigt, geen verschiet, Avas u nog bijgebleven.
Daar wenkte uw Tusculum u naar zijn stille dreven ,
En in de schaduAV, door zijn hoog geboomt' verspreid.
Was u nog zoet geluk en stille rust bereid.
ONGELUKKIGE 0ÜDERD0 3I.
^ Grijsaart, wien uw tijd, uw beste tijd ontvlood.
Die aaii een schijngenot uw jeugd en kiachten boodt.
En nu , van zelfverwijt en lang verdriet omgeven.
Zoo pijnlijk d'ouderdom voelt door uw leden beven;
6 Klaag 'niet ! ge oogst in 't eind' de vruchten uwer daan.
Al wat de zinnen streelt, is voor uw hart vergaan.
De bronnen zijn verdroogd dier eens z' o zoete weelde,
Die gij zoo duur betaalde , en die zoo k trt u streelde.
Uw brein, van kunde ontbloot, heeft niets, dat ooit u vleit;
Uw hart, zoo lang verzuimd, mist-zeUgenoegzaaniheid.
Daar voelt gij al den last der doodlijk slepende uren.
Ach! eeuwig schijnt de tijd voor uav verdriet te duren!
Ja, pleng vrij tranen uit een diepbeklemd gemoed,
Uw wreed verzuim verdient een' heeten tranenvloed;
Maar dat geen wanhoop u uw jongste kracht ontroove.
En 't laatste vonkje moeds, dat in u glimt, verdoove!
Dat naberouw, die smart, dat angstig zielgekwel.
Zijn , in het plan uws Gods, nog middlen tot herstel.
Zijn Avijsheid heeft voor u die artsenij gekoren;
l«ts minder bitter, en gg waart geAvis verloren!