Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
FRAGMEINTEN UIT DEK OUDERDOM.

DE GODSDIENST.
Verlieren Godsdienst, zuil der mensrhheid in het stof!
Wie denkt uw eindh)os doel , en meldt naar eisch uw' lof?
Hier mist de seraf zelf; — maar blijft gij onvolprezen ,
Ons hart gevoelt tnch diep wat gij den mensch wilt wezen.
Hij zonk ontadeld in liet stof des doods ter neèr ,
Gij geeft hem aan zijn' God en aan zijn' adel we^r ,
Yer/.acht voor hem de ramp , Avaarop zijn deugden groeijen ,
Doet dui5;end bronnen voor zijn smachtend harte vloeijen ,
Voert, onder strijd en smart, zijn zege en vreugd ten top.
Verheft zijn menschheid en kweekt haar ten engel op.
In ieder levensperk blijft gij zijn beste ze^en ;
Waar niets meer troosten kan, lacht no» uw troost hem tegen;
Gij «lekt met eigen hand zijne onschuld in de jeugd,
Gij vormt zijn jonglingschap en voedt haar op tot deugd ,
Gij Aveert de zorgen , die zijn rijper jaren drukken,
Gij leert zijn' ouderdom de vrucht des levens plukken.
Vergeefs grijnst in 't verschiet een graf voor zijn gezigt,
Gij zwaait uw fakkel, eu zijn donkre nacht Avordt licht.
Kij blikt er vrolijk in — een straal van eeuwig leven
Heeft reeds zijn' gindschen boord met morgenrood onnveven.
Daar lacht zijn dojis hem aan , en, wagglende op zijn' rand,
vSchouAvt hij in 't hel verschiet, ontdekt zijn vaderland,
Juicht, reikhalst, zwijmt van vreugd, AA'eet naauw Avat hem
(verover',
Denkt flaauAV nog, denkt niet meer, zinkt heen, en sluimert
(over.
W^at waar' hier de ouderdom, aan uwen troost ontrukt?
Gezonken menschheid , die naar 't niet, haar eindpaal, buktl
Ook in de loopbaan , door de deugd ons voorgeschreven.
Ontzinkt van lieverlee ons ligchaam aan dit leven.
De zinnen Avorden stomp cn missen aan hun taak.
Met eiken dag ontboeit de lust een nieuw vermaak.
Een aantal kAvalen doen zich telkens meer gevoelen.
Höt Averktuig zwicht,de ziel durft schaars iets groots bedoelen.
Het brein droogt op en suft; vermoeidheid stiert den gang;
De dag krimpt voor ons in, de nacht wordt duldloos lang.
Natuur blijft stom , zij schijnt min tot ons hart te spreken.
Zij kan geen nieuAV gevoel meer in de borst ontsteken.
Wij zAvijmen magtloos heen, ook bij haar zoetst genot;
W^aar 't eindige verzinkt, behoeft het hart een' God !