Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
158 Rp:nKVA\f\T NAAR DR gravkn
Waar de asch van zoo veel dierbï'cn rust,
Eens onze lust op aard' ;
Waar eens ons beider overschot.
Wanneer? dit weet de alwijze God,
Wordt bij die asch vergaard.
't Is nuttig voor den sterveling,
Die in de wereld leeft,
Dat hij zich uit dien wuften kring
Naai' d'akker Gods begeeft;
Daar predikt alles sterflijkheid ,
En, waar zijn blik zich rigt,
Daar ziet hij op de graven staan.
Dat tusscheu ,worden en vergaai*
Een enkle s^reè slechts ligt.
Kom , moedig dan den grond betreen ,
Den grond van wee en smart.
Al gaan wij met onwisse schreén ,
Al breekt ons treurend hart:
AVie de oogen naar den Hemel wendt,
Vindt op een kerkhof troost.
Kom , lieve ! droog uw tranen af,
Gaan wij ter beevaart naar het graf
Van ons zoo dierbaar kroost.
Daar is het, daar > waar plant noch kniid
Den raauwen grond bedekt,
Daar is het graf, dat in zich sluit
Wat ons hier henen trekt;
Daar rust het viertal y dat onze echt
Zoo schoon te kroonen scheen;
Daar rusten ze allen, zij' aan zij'.
Die dieibaar zijn aan u en mij ,
Aan u en mij alleen.
Een nieti» stipje in 't groot heelal
Is 't pasgeboren wicht.
Onzeker wat het worden zal ,
Vergeet onze aard' het ligt.
Maar lïij , wiens pad dat lieve kind
Met blDemen heeft getooid;
Maar zij, die met haar eigen bloed
Dat teeder wiehtje heeft gegoed,
• , Zij vergeten 't aooit."