Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
pikt kr. corneliszoon hooft. 155
Wien Xeèrlands zandberg dank moet weten
't Gebloemf, de frissche rozenblaän,
Die op zijn' top te prijken staan ,
En die haar' Hjnen geur nog lieflijk op doen rijzen;
« Die 't licht der po;;zij zoo heerlijk op deed gaan;
Wien later eeuw en dichtren prijzen.
Om zinrijkheid,, vernuft, fijn oordeel, kieschen trant;
Die, met Virgilius en Klakkus in de hand,
Zich uit die zuivre bron mögt laven;
Die nooit in woordgebrom, zinledig, voort kon draven.
Maar zuiver, waar, eenvoudig schoon,
Op ronde maat en zoeten toon
Steeds uitte wat zijn hart bedoelde ,
En andren voelen deed wat hij met smaak gevoelde;
Die door zijn keurig maatgedicht
Op 't hoogst het nakroost heeft verpligt;
Die, mögt Petrarcha, in ïtaaljes vruchthre dreven.
Den smaak voor 't ware schoon der Dichtkunst doen herleven,
Haar 't eerst in 't ongekunsteld kleed
Den Nederlander kennen deed ,
Daar zij , met achtbaarheid en waarheid
In onbesmetten gloed, en tintolende klaarheid,
Uit Muideiis grijzen wal zoo hiistrijk trad hertoort:
DiiÄr 8troor*jden reine godenzajigen ;
Daar werd van Vondel's dicht door Tesselschi vervangen ;
Dkur klonk van Baerle's lier, en Huigens harpakkoord;
Dit.ir rees een tempel op ter eer der zanggodinnen;
Kunst,eendragt, wetenschap en vriendschap troonde er binnen;
Diiär, dätir was \e-rlands Helikon;
Dä^r schitterde die gloriezon;
D.i<ir leefde Hooft, wiens naam hel koor der Dichtren huldigt,
Wien Neèrlands schoone taal haar'opbouw is verschuldigd;
Dit;ir was de kunst van nijd en wrevele afgunst vrij;
DdÄt rees de dageraad van Neèrlands Potzij.
Hij, die dan nog voor't goede en schoon* niet is verloren.
Zal met verrukt gevoel steeds Hoöft's gezangen hooren;
En hem, wien 't harte gloeit voor de eer van Nederland,
Die trotsch is op der vaadren glorie,
Zal, in de aloude Volkshistorie,
Geboekstaafd door zijn tiksche hand,
De kracht van Neèrlands taal bewondeiTn,
Die, vaak zoo veel als 't oorlogszwaard,
W^Äar zfl 'tgeweld in 't oor kwam donderen,
Den storm des oproers heeft bedaard. —