Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
150 ^If het ak8te)iv£\ vatt e. a. êollqëfl.
AVjj «ien den droeven aan uw' boord, o Uijni gezeten,
Weemoedig starende op uw' stroom , die zeewaarts vliet;
Hij asingt. . . en Nederland zal nooit dien zang vergeten >
Het was zijn laatst, zijn roerendst lied.
Gïi boort, o grijste R'jn ! den eedlen zanger weenen,
Kn statig rolt ^^ voort. De tranen , die hij schreit,
En met uw waatren mengt, voert gij naar Katwijk henen,
Als tolken zijner menschlijkheid.
Gil waart zijn trouwe Bode , en wlldet overbrengen ,
Ter rustplaats van zijn' gade en kind, zijn tranen-vloed;
Hij zelf, hij had geen' moed, om ze op het" graf te plengen;
Alléén tot sterven had hij moed.
Hij slaakt zijn' laatsten zucht, en weent zijn' laatsten tranc ;
Hij ziet, in blinkend licht, Gods Engel vooi' zich staan;
iEn zwijgend blikt hij nog op de afgelegde bane,
Doch wenscht geen' stap tenjg te ^aan.
4) Neeh! hij ziet vatt de aard' 't misleidende verguldsel;
Ten tM'eedemale brak als rag zijn huwlijksband:
En zijne ziei^ te -groot voor 't sterfelijke huldsel,
Is ryp voor 't Hemelsch Vaderland.
Gods Engel wenkt... hij volgt. Zijn stofTelijk gebeente
Ontvaiige Katwijks aarde in haren stÜlen scHoot!
Hem dekk', met gade en kind, het eigen lijkgesteente,
En •t vaderland betreur' zijn' dboä!
Zoe ruiÈche uw klaagzang zacht! zoo moogtge om rorger rou»-
0 Muflie l zoo berust ge in 's Eeuwgen wil en woord! (wen ^
Eu wy li wij wenschen niet voor de aarde te behou^n,
'Hetgeen den Hemel toebehoort.

Ja, Wij kïagen ; ja« wij treuren ,
Dat de dood het beste rooft;
Maar wij mogen opwaarts beuren
Ons door rouw gebogen hoofd;
Dompig rollen dofle klanken
Bij des grooten BORnER's graf:
Maar wij juichen, maar wij danken,
Dat dè Algocde ons boi\gkr gaf.