Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
bij het 'afsterven van e. A. borger. 149
Dof roir de treurgalm! Wil een droeven pligt volbrengen,
o Muze! Wie vereert wat edel is en groot.
Stemt in uw' somb'ren toon, zal tranen met u plengen,
Eu weeklaagt meè bij borüers dood.
Geleerdheid voelt met schrik 't gewelf haars tempels scheuren;
De Godsdienst zwijgt; de kunst barst uit in rouwgeklag:
Hoe zult ge 't zinkend hoofd, o Leijden, opwaarts beuren.
Zoo wreed geschokt door slag op slag !
Helaas! wat is de mensch, met d'aanleg van een' Engel?
Eier als een boom in't woud , doch als een bloem zoo teer;
Hetkoeltje blaast....daar buigt, daar schudt, en knakt desten-
En glans en grootheid zijn niet meer. (gel,
Hoe grootsch was iïorger's stand! hij , prijkende als een ceder
Des Eibanons, was zwak gelijk de lentebU»em ;
Een rukwind waait... daar buigt, daar stort ook borc. er neder,
En met hem Xeérlands trots en roem !
Treur, Neórland, schrei!.. .Doch, neen! geen eigenbatig klagen
Verstoor de zaalge rust, die hem de Algoedheid biedt!
Was niet zijn vroege dood, oGod! uw welbehagen?
Gij antwoordt van uw daden niet.
Gewis ! het was Gods wil! Staak, Muze, 't raadloos rouwen!
Zacht ruische uw klaaggezang , en smelte in 't heilig woord:
V W^nscht, stervelingen, niet voor de aarde te behouèn ,
Hetgeen den hemel toebehoort V *
Ja, BORGER leerde vroeg het Hemelsch schoon beminnen;
Zijn hart gevoelde 't en zijn taal werd profeetzij:
Maar qorger leefde op de aarde en had gevoel en zinnen»
Maar borger was een mensch als wij.
Als mensch mogt zijne ziel voor 't zinlijk schoone blaken;
Hij offerde op 't altaar der vreugd en huwlijkstrouAV ;
Wat liefde zaligs heeft, hij mogt haar weelde smaken
In de armen van een kuische vrouAV.
Hoe deed het hoogst gevoel zïjn reinen boezem zwellen !
Hoe werd zijn needrig dak met huwlijksheil gevleid!
Maar God! hoe kort van duur! zijn haren kon hij tellen;
De tranen niet, door hem geschreid.