Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
T>K nOODGRAVER.
13Q
Zorgvuldiff Iiield 7.:]n spade
|)at dierbaar plekje vrij :
Ter regter sliep /ijn gade —
Zijn kind ter linkerzij'.
Daar komt men 's nachts hem kwellen
Met lang en luid geklop :
y> Eer 't klokje drie zal tellen ,
vSpit ginds een grafkuil op.
»Gij zult een teeken vinden
» Aan d'oever van den Rijn ï
»Daar ginder aan de linden,
V Daar moet de grafkuil zijn.**
Ea naauwlijks deed men 't hooren.
Of ijlings snelt hij heen;
Juist bromt in ffindschen toren
De holle klokslag öön.
Hij zoekt en vindt het teokea
Aan d'oever van den Rijn,
Maar vindt, helaas , het steken ,
Waar eens zijn graf zou zijn,
Nogtans hij gaat aan 't slaven,
Hoe grijs van baard en haar,
Ea zweet en hijgt van 't graven
En ademt bang en zwaar.
Zijn oog besproeit zijn spade
Met tranen zonder tal,
Nu naast zijn kind en gade
Een vreemde rusten zal.
Doch eer de starren weken,
Hoe zwaar hij hijg' en zweet*,
Eer 't licht we r aan kon»t breken,
is 't nieuwe graf gereed.
Hij wringt dc dorre handen
Ëu snikt nog eens zijn klagt,
\ En zegt zijn dierbre panden
Nog'eenmaal goeden nacht.
\