Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
128 het on wk n kr.
Juich , storvling! God is goed : 't was {ï-j, die u bewaarde.
De donder bruU niet meer; neen, aües juicht en zingt :
Harnioniesch klinkt het lied , de Hynmus , die van de aarde.
Maar duizendwerf herhaald , door lucht en wolken dringt.
Die lofzang klimt voor U, o Eeuwige, Onbegonnen l
Groot zijt Ge, almagtig God ! in 't bruisen van den vloed;
Groot, in het stralend vuur van miriaden zonnen;
Groot, als Ge uw stem aan de aard' in donders hooren doet.
Oneindige T U zij de eer ! —Uw grootheid treedt ons nader;
Ze omzweeft het groot Heelal, dat pronkstuk van uw magt.
Ja, goed en groot zijt Gij! Die juichtoon zi|, o Vader!
Het amen van het lied j U dankend toegebragt.
w. h. warnsinck , bz.
DE DOODGRAVER
Hij had zoo vele braven,
Zoo menig dierbaar vrind ,
Veel hoozen ook begraven ,
En ook zijn vrouw en kind.
V Och," riep hij , bij het delven
Van reeds zoo menig graf:
V Och, viel toch eens mijzelven
» De last des levens af 1
» Ik ben zoo hoog van dagen,
«Zoo grijs vau baard en haar;
v Ik kan geen schop meer dragen ,
* Of zweet en hijg zoo zwaar 1"
Reeds had hij lang te voren
Aan d oever van den Rijn,
Den lindeboom gekoren ,
AVaaraan zijn graf zou zijn.