Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
r
h k t o \ w k i) e r. ï35
't Wordt alles duister, alles nacht;
Een aaklig sswart bedekt de breede hemelbogen;
Wat ltsft en ademt zucht en slaat de smachtende oogen
Ten hemel, uitgeput rau kracht.
Ontzetbre stilte der natunr!
Iets groots, iets plegtigs heeft dit uur:
D« dampkring gaat van 't vreeslijkst noodwe« r zwanger.
De laatste straal der zon verdween ,
En waar zij straks nog wolkloos scheen ,
Praalt, gloort en schittert zij niet langer.
lIoc plegtig is dit uur! de sfervling slaat zijn oojen,
Met diep ontzag, naar hooger sfeer,
Aanbidt het eindloos Alvermogen ,
Eu geeft Gods grootlieid roem en eer.
Ja, Hij genaakt, die 's werelds eerste dagen.
En 't grensloos rijk der toekomst overziet;
Gezeteld op zijn' donderwagen.
Vreest heel de schepping zijn gebied.
Hij komt; hoor, hoor die stem, zij dondert in den hoogen!
Hij komt, en voor zijn' tred ontvlamt het bliksemvuur.
En maalt, met vlammend schrift, op duistre wolkenbogen,
De majesteit van God, als Vader der \atuur.
Van rots tot rots weerklinkt de knal der donderslagen ;
Der bergen grondvest dreunt en kraakt;
De stem der Almagt wordt op wolken voortgedragen:
Kniel, aardei kniel —uw God genaakt.
Daar treft een bliksemflits, en de eik stort krakend neder;
Hij , oppervorst van 't woud , ploft met zijn kruin in 't zand ,
£n plettert, in zijn' val, het bloempje, zwak en teeder,
In schaduw van zijn loof geplant.
In 't eenzaam veld en op de heiden,
Waar rund en lammren vreedzaam weiden.
Verspreidt zich ban^e schrik in 't rond;
Zie, 't reedhms vee, in bonte kringen,
Zich , angstig , bij elkander dringen ,
Als vastgekluisterd aan deu grond.