Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
134 HKT ONWEDER.
Dc dampkring gloeit; de heek houdt op te vloeijen;
Haar koele beddingbarst eu scheurt;
Haar oever splijt van 't roostend middagschroeyen,
En veldviool en grashalm treurt.
Weleer lag hier, bij murmlend stroomgeklater,
Het vee zich rustig neer, naast eik of olmenstam,
Maar thans verkwikt ook zelfs geen druppel water
Het nuttig rund en 't vreedzaam lam.
De bron is uitgedroogd; *t moet al van dorst versmachten;
Het dorgebladerd veld biedt schier geen voedsel meer;
Het moedig ros stort, uitgeput van krachten,
Üp d'omgeploegden akker neèr.
Natuur verkwijnt; het hart voedt zorg en kommer;
De landman ziet zijn vreugde en zoete hoop vergaan.
Het veld ontvlugt, zijgt hij ter neêr in 't lompier,
En schreit, om hulp, den hemel aan.
W^at rijst daar, ginds, verre aan de kimmen.
En zweeft en stijgt al hooger aan,
En trekt, langs 's hemels wijde baan,
Met statig langzaam opAvaarts klimmen ?
Nog gloeit het brandend zonnevuur
Aan 't hooge welfsel van azuur,
Maar/^t wordt in 't Avesten nacht, eer nogde nacht mag naken.
Zie hoe het duister zich verbreedt!
Het dekt den hemel als een kleed ,
En dooft de glansen uit, waarvan de velden blakén^
De stilte is thans alom op 't aardrijk neèrgfedaald ,
Gelijk bij middernacht, wanneer de donkre hemel
Verlicht Avordt door den glans van 't vonklend stargewemel,
Dat aan de zij' van Febus zuster praalt.
Ja, stilte heorscht op 't veld en woont in't somber bnsch ,
't Gevederd konr verbergt zich in z:jn' blaadrendoa ;
Geen Avoudlied treft het oor, geen boersche veldgezangen:
De dotfe dorpsklok bromt allöén
Door 't zuisen van die stilte heen.
Maar heel de schepping zwijgx, met treurgcAvaad omhangen.