Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
JAN DIE WEENT E\ JAN DIE LACHT,
KAAR HET FRANSCH VAN
DE VOLTAIRE
AAN
DEN ABT DE VOISENON.
TVanneer ik 's morgens, na een zwaar, onrustig slapen,
Met doffen geest en somber licht.
Mijn treurig oog op al *t geschaapne rigt,
Natuur met al haar leed misnoegd sta aan te gapen
En geve dan op elke dwaling acht,
Op al de kwellingen, die 't menschdom zijn beschoren.
De plagen, de euveldaan van dat onrein geslacht.
Als doOr den duivel tot zijn eigendom verkoren;
Dan vraag ik de Etna af: waaroni stroomt heinde en veer
Die vuurstroom des verderfs, die uit uw schoot komt woeden i
'k Eisch vaiv de woeste zee die treurige oevers weèr.
Bedolven onder 't schuim van hare watervloeden.
En zeg tot eiken dwingeland:
» Gij hebt meer leed op aard doen komen,
» Dan 't wreedst geweld der zilte stroomen,
» Of al de Volcans door hun brand!"
Kortom, ais ik mijne oogen wende
Naar alles, wat rondom mij leeft,
En lette op 't schriklijk lot, dat elk te wachten heeft
In dees verblijfplaats der ellende,
Zie 'k lijden en de dood de hoogste wet alleen.
En — 'k ween.
Maar als ik 'savonds mij, met opgeruimde vrinden
En menig lieve vrouw, mag aan den disch bevinden,
Dan kluive ik mijn patrijsje en slorp, bij grap op grap,
In onderscheiden soort Lyaeus fonklend sap ;
Als, ver van schelmen en van gekken,
De vreugd, gezang, bevalligheén van geest
Ten vrolijk bijgeregt verstrekken
Van ons genoeglijk vriendenfeest;