Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
FR.AGME\T t'lT HFT RflTKNr.KVEN, l3l
Haast vliegt hem, heet op bloed, van dorst en woede onfstoken.
Terwijl men 't drupplend zwe«t uit schoft en iials ziet rooken)
]\Iet brandende oog en muil, en hongerend gebit.
De dolle Jachtstoet na, die op zijn hielen zit.
Het water heeft geen kracht, hnn dorre keel (e laven ,
]Vlaur bloed is't, wat hun faalt; om hloed is 't, dat zy draven.
Nu hooploos, zonder hulp, in reddingloozen staat,
Neemt ae afgejaagde prooi de razerny te baat.
Pielaas! wat heeft hy thands van de uitgeputte krachten,
In ijdle vlucht verspild, by *t wis verderf te wachten;
Kn waarom 't niet terstond, naar de inspraak van zijn moed ,
Door eedlen wederstand veredeld en verhoed? —
Door de overmaat van vrees in 't eind ten strijd gedreven.
Veracht hv 't doodsgevaar uit wanhoop aan zijn leven.
OntzachlijK >a]t hj^ nu op zyn bespringren in,
Kn staat hun aanval uit met kloeken heldenzin.
Zijn wapen treft en kneust, al woedende in het ronde,
Den da|)perste uit den hoop met de allerfelste wonde.
IVlaa^; alles schiet op eens gelijklijk O) hem af!
't Is alles öéne beet, één woeden, eén geblaf!
Hv stoot, hy worstelt nog. Doch eindlijk afgestreden,
(Helaas!) wat baten hem zijn netgevormde leden,
Zijn eedle lijfsgestalte en rijkgetakte kroon ,
Kn 't luchtig voetgestel , ter toegift by dat schoon !
wankelt, stort, bezwijkt, en sterft in 't aakligst treurrn ,
En roert hun-zelven 't hart, wier tanden hem verscheuren.
w. bltdkrdiik.
OP EENEiN GIERIGAARD.
Van Schraap beeft overvloed, die hem ten erfdeel viel,
Daarbij een' vrekken aard , door Satan hem gegeven;
En daar nu 't goud , waaraan de vloek der hel blijft kleven,
In tijd en eeuwigheid moet branden op ztjn ziel,
Geeft n\i aan weetïw noch wees, gebrekkigen noch ouden,
Om geld en vloek alleen te houden.
j. imw^rzrfr, junjor.