Boekgegevens
Titel: Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Auteur: Ouwersloot, D.; Lastdrager, Abraham Johannes
Uitgave: Amsterdam: J. Immerzeel Jr, 1834
2e dr; 1e uitg.: 1826-1827
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1061 H 12
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200027
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bloemlezingen (vorm), Gedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Bloemen van Nederlandsche dichtkunst: voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
rK DOOD VAN AUGIAS. 113
Had Febus , zoo als hij , zijne uchtendtaak vergeten,
De lieve Aurora had gewis aan de oosterpoort
Zith mo^ gewacht, en waar', weèr door de vaak bekropen,
In Tithons ledikant geslopen,
Hoe 't op de Avereld 'ook mogt loopen,
Al deed men daar ook nooit meer luik of winkel open,
Al wierd er nooit meer riem- of hamerslag gehoord.
De klok had twalef reeds geslagen
Ker Herkules het dons verliet,
Ken venster geemiijk open stiet
En 't dejeuner zich op liet dragen.
Een langhals met Kordeausche kui*
Was spoedig, met een flinke fluit ,
Ten bodem toe geleegd; een hoen vier vijf gekloven ;
Een' eijerkoök er bij, met suiker dik bestoven;
En toen de hofbroek aan van glinsterende zij' ,
Den staatsierok met. lange paiuJen ,
Manchetten op de forsche handen,
De borst bepronkt met ordebanden ,
(i\u moest ér vlag en wimpel bij)
En zoo naar 't hof, om 't loon van zijne slooverij.
/ou strijk en zet daar gaan, gelijk de slokker meende,
Maar och! men liet iiem lang in de antichambre staan,
Eer Augias gehoor verleende,
Die op een uitvlugt zich inmiddels had beraan.
» Gij hebt, Vouain i gewis verstaan,
» Hoe 'k in mijn.taak heb mogen slagen J
Ik kom, naar de afspraak, nu het loon er u voorvragen,"
Loon'""sprak de Konióg »»neen, geen duit, mijnheer de reus!
v>» Gij hadt daar, dacht ge, maat l een groentje bij den neus !
Vermeetle! zou ik u drie honderd ruudren geven,
»» Daar 't ruimen >van mijn' stal niet stond in uwe keus,
ti Maar door Eur3'stheus aan u was voorgeschreven ?
• En dat Cousi/nt ufig al! wat moeteen mensch beleven I""
» A'erduiveld, Augias ! die uitvlugt is niet heusch;
» Al even min is-'t uw betiteling van Heus: "
Noemt ge u een zoon dér Zon , ik had Jupijn tot vader:
Mij vloeit het godenbloed door de onverdorven ader;
» Maar(dat nog meer zegt)'kben regt«chapen,'k heb een hart,
M Dat hel en Pluto, als hél de eer mag gelden, tart.
Wie me op de teeneo trapt, de goede trouw durft schendea
» En mij zijn woord niet eerlijk houdt.
Draai ik den kop van 't lijf, vermonsél ik de lenden,
» Zoo als ik leeuwVn deed in 't hoJ \emesche'woud.